vreugdevuur

toontafel

 

Elke schrijver doet het – niemand overtuigt mij van het tegendeel. Wanneer een roman van hem in de rekken belandt, wandelt hij een winkel binnen om naar zijn eigen boek te gaan kijken. En terwijl hij daar onopvallend in een hoekje staat te glimmen, ontbrandt er een vreugdevuurtje in zijn hoofd. Deze foto werd gisterenavond in Fnac Groenplaats genomen. Door mezelf, ja, gun me dat pleziertje. (En als u daar een vreugdevuur van de ijdelheden van wil maken, u doet maar, ik luister toch niet.) Kijk toch ’s hoe mooi hij daar staat, schouder aan schouder met de grote Gie Bogaert.

Ahem, en nu terug naar de orde van de dag.

over research

cowboy clint

We hebben allemaal de film gezien. Ergens in Death Valley ligt cowboy Clint in het stof te sterven. Een roofvogel schreeuwt. De horizon is een trillende veeg. Die veeg wordt plots onderbroken. Een schim nadert. Cowboy Clint knijpt zijn ogen tot spleetjes maar het beeld blijft dansen in de hitte. De tijd staat stil. Pas op het einde herkent hij de schim als een vrolijke Mexicaan op een ezel bepakt met kalebassen.

In 2008, zo rond de tijd dat Bob van Laerhoven een mooie recensie schreef over mijn vorige boek, was ik vage plannen aan het maken voor nummer drie. Het zou een detective noir worden maar dan zonder detectives. Het moest om te lachen zijn. En het moest over iets wezenlijks gaan. Maar wat? Ik dacht dat ik beet had toen ik De Shock Doctrine las, het uitstekende boek dat Naomi Klein schreef over de vernietigende impact van de klassieke vrije markt-doctrines – privatisering, deregulering, bezuinigen. (Dankzij de crisis weten wij, Europeanen, intussen ook hoe bitter die neoliberale medicijnkast smaakt.)

Ik hoor u al denken: Bontenakel heeft een “eknomisch” traktaat geschreven. Wees gerust, niets uit mijn notities heeft De steek van de schorpioen gehaald. Maar in Kleins Irak-hoofdstuk las ik wel over Blackwater. En de schim openbaarde zich als een kalebassen-Mexicaan… Ik zag Youtube-filmpjes waarin huurlingen lukraak het vuur openden, las over de incidenten in Najaf en Fallujah (en over hoe Amerikaanse soldaten kameelspinnen en schorpioenen samen in een emmer staken). Ik bestelde Corporate Warriors, het standaardwerk dat P.W. Singer over de private militaire industrie schreef. Terloops bezocht ik de voortreffelijke boekhandel De Zondvloed in Mechelen, en besloot er de boekenzaak in mijn verhaal naar te modelleren.

James Ellroy had ik al gelezen, maar de klassiekere noirs stonden nog op het lijstje. Via de Philip Marlowe-romans kwam ik uit bij James M. Cain. Ik herlas dat van die postbode die 2x aanbelt, walste door Double Indemnity en begon in Mildred Pierce. Die laatste bleek geen noir te zijn, niettemin las ik de roman in één ruk uit. De fijnste leeservaring dat jaar. Mildred Pierce, wat een vrouw.

Er valt dus een hoop lol te beleven aan de research voor een boek. Alleen, op een bepaald moment moet dat ding ook daadwerkelijk geschreven worden.

over aantekeningen

DSCN0621

Theodore Sturgeon (1918-1985) was een Amerikaanse SF-auteur die er een opmerkelijke routine op nahield. Als hij een verhaal geschreven had, wel, dan legde hij de laatste pagina op de stapel, nam een wit blad en begon gewoon aan het volgende. Sommige schrijvers kunnen dat. Anderen zijn minder fortuinlijk, en hebben incubatietijd nodig. Ze houden een winterslaap, drinken veel, lopen te emmeren tegen hun vrouw of schrijven lelijke brieven naar recensenten. Maar dan – en dat moment dient zich meestal onverwacht aan – dan kantelt alles. Hun blikken dwalen af, ze halen de dop van hun pen, schrijven notitieboekjes vol. Kortom, ze steken hun antennes weer uit.

Praktische noot: noteren doe ik met een Stabilo-stift in het welbekende Moleskine-boekje  (zwarte kaft, elastiekband, even hip als die heren van middelbare leeftijd die je in de winter ziet rondlopen met stetsons op hun hoofd.) Daar, nu kent u mijn keukengeheimen.

‘Wacht eens even.’

Magische woorden zijn dat. Je bent iets aan het noteren en halverwege een volzin stop je en je denkt: wacht eens even. Je staart met een dom gezicht voor je uit, de punt van je pen zwevend in het ijle, en het gaat volop knetteren in je schedel. Je hebt ‘em. De fundering van je volgende roman. In hanenpoten in je notitieboekje. Nu ga je nog sneller noteren – plotlijnen, personages, flarden dialoog. En net als de Chinese communistische partij stel je een drie-vier-vijfjarenplan op.

Zo is het met mijn De steek van de schorpioen gegaan. In 2008 las ik een artikel over de Amerikaanse privébeveiligingsfirma Blackwater (intussen alweer 2x van naam veranderd) en erlebte mijn aha-erlebnis. Het muntje viel, de bal ging aan het rollen.

Vergeet dus die flauwekul over goddelijke inspiratie en zachtjes fluisterende muzes. Per abuis is de te onthouden term.

over schrijfscholen

potgrond

Af en toe vragen mensen me of ik hun teksten wil feedbacken. Vorige week kwam die vraag van een vriendin van een vriendin van… Ze was al geruime tijd met verhalen bezig en werkte nu aan iets van langere adem. Niet eenvoudig. Hoe ik dat met mijn drie romans had klaargespeeld? Soms vraagt een mens zich inderdaad af hoe het ooit zo ver is kunnen/moeten komen. ‘De basis van ne goeie bloemenwinkel?’ wist Stany Crets in de verfilming van Alles moet weg. ‘Potgrond.’ Wel, mijn potgrond lag in de leslokalen van de Antwerpse SchrijversAcademie.

Ik weet het, schrijfscholen zijn not done, toch niet voor schrijvers. In oktober maakten drie jonge, debuterende collega’s er nog brandhout van in Knack. ‘Ze zijn er voor de minder getalenteerden,’ zeiden ze. ‘Ze dwingen je in een keurslijf van regeltjes,’ zeiden ze. Schilders, tekenaars, beeldhouwers, mode-ontwerpers, je vindt ze allemaal op de schoolbanken van Sint-Lucas, het Rits of de Kunstacademie. Maar schrijvers? Neen, die niet. Schrijven doe je op je zolderkamer of – als je een hippe vogel wil zijn – in een koffiebar. Liters cafeïne, sigaretten en af en toe een aperitiefje. Rock ’n roll!

U weet het of u weet het niet, maar in de Angelsaksische wereld behoort creatief schrijven al decennialang tot het lessenpakket van de universiteiten. Kurt Vonnegut gaf er les aan John Irving, Richard Yates doceerde er als hij niet te veel gedronken had. Maar misschien is John Irving wel minder getalenteerd.

Vóór ik kennismaakte met de SchrijversAcademie schreef ik verhalen waarin mijn hoofdpersonages allerhande onwaarschijnlijke plotwendingen moesten ondergaan. Velen kwamen uit een rariteitenkabinet en velen legden op het eind het loodje – ja, in die tijd was ik een vrolijke jongen. Verhalen bleven onafgewerkt, romanideeën verdorden in een lade. Op de academie veranderde dat. Ik maakte er kennis met lotgenoten. Ik luisterde er naar mensen uit het vak – mensen als John Vervoort, Peter Theunynck, Geertrui Daem, Gie Bogaert, Elvis Peeters, mensen als Erik Vlaminck en Marc Van Alstein. Elk hadden ze hun eigen verhaal te vertellen. En toen ik afstudeerde, had ik er niet alleen een paar vrienden bij, ik had ook een boek geschreven en dat boek werd nog ’s uitgegeven op de koop toe. Maar misschien ben ik wel minder getalenteerd.

U vindt ook dat schrijfscholen er voor de hobbyisten en dagboekschrijvers zijn? U heeft geen boodschap aan dit stukje? Hoeft ook niet. Zolang u Richard Yates maar onthoudt. Lees Richard Yates.

 ….

En lees dan iets van een andere auteur uit de opsomming hierboven.

R.I.P. bruin café

DSCN0887

Hof ter Beke bevond zich recht tegenover de Sint-Laurentiuskerk in de Antwerpse Markgravelei. Het café stond bij mijn collega’s en mezelf beter bekend als “de Kiekeboe”, omdat de vorige uitbater wat weg had van de gelijknamige Marcel. Gepensioneerden aten er ’s middags hun dagsoep, de blinden uit het instituut verderop vonden de weg naar hun vast tafeltje. Bij sommige vaste klanten maakte Hof ter Beke deel uit van hun dagelijkse routine.

Hof ter Beke was een rechtgeaard bruin café, met donkere houten lambriseringen en gaargerookte plafondtegels. Naast een pancarte met de boodschap dat loslopende kinderen wel degelijk aan het circus zouden worden verkocht, hing een ingelijste Willem Elsschot. In nostalgischer stukjes dan het mijne zou u lezen dat de auteur er de personages observeerde waarmee hij zijn romans stoffeerde.

Kris en Sybil bouwden negen jaar aan hun droom. Niet makkelijk als vier van die negen jaar crisisjaren waren. Nog minder makkelijk als de huisbaas diezelfde crisis aanwendde om de huur te verdrievoudigen. Tussen haakjes, de huisbaas is geen onbekende. Zijn naam is AB InBev en u kent hem van zijn uitstekende kwartaalcijfers en het feit dat hij in dit land nauwelijks-niks-nougabollen belastingen betaalt. Vreemd spelletje stratego dat die brouwerij met zijn eigen pionnen speelt.

Het café sloot de deuren op 30 november. Er kwam veel volk naar de begrafenis om een laatste eer te bewijzen aan de overledene en de vaten mee leeg te drinken. Op de muur werden foto’s geschenen die meer dan voldoende vertelden.

Sybil en Kris werken intussen allebei voor de Lijn. Mocht u op hun tram stappen, doe ze alsjeblieft de groeten.

bericht uit Shanghai (2)

 

Op metrolijn 10, onderweg naar halte Shanghai Library, is een vrouw met haar smartphone in de weer. Het toestel zit verpakt in een verkreukeld, doorschijnend, plastic zakje. Het vrouwtje heeft zichzelf ook ingepakt, want onder haar muts komt een kapje tevoorschijn gekropen in hetzelfde verkreukelde plastic. Ik maak me ernstig zorgen over haar echtgenoot.

Bovengronds heeft een oude dame haar rolstoel op het rechterbaanvak van een drukke verkeersader geparkeerd. Terwijl de ochtendspits langs haar heen raast, doet zij een dutje. Verderop gaat een nachtegaal in een te klein houten kooitje in duet met een toeterende taxi. Ik tel minder mondmaskers dan bij eerdere visites. Dat scheelt alvast in vuil wasgoed.

Chinezen gebruiken geen Eurorent-stellingen in de bouw. Zij prefereren bamboe, en zijn daarmee duurzame vogels tegen wil en dank. De gevlochten houten steigers (op de foto is er eentje in aanbouw) zijn vaak mooier dan de gebouwen waar ze tegenaan leunen.

Over de bouw gesproken: rijke chinezen die hun geld niet naar het buitenland krijgen versluisd, investeren volop in vastgoed. Vaak blijven die panden leeg staan, soms worden ze bevolkt door hun maîtresses. De nouveau riche van Shanghai hoort nog te pronken met haar rijkdom en daar hoort één en liever veel maîtresses bij. Ja, het is best vermoeiend om rijk te zijn in China.

Lezen lijken ze niet te doen in Shanghai. Nergens zie ik boeken of e-readers in de straat of op de metro. Neen, allemaal staren ze gebiologeerd naar de schermen van hun telefoons en tablets. Voor al die nieuwe speeltjes heeft booming China natuurlijk steeds meer grondstoffen nodig. Het zal je dan ook niet verbazen dat China voor opkoper van de planeet speelt: een berg tjokvol koper in Peru, een paar Canadese teerzandvelden. Wie Winner Take All van Dambisa Moyo heeft gelezen, weet dat we in de nabije toekomst tegen een knoert van een grondstoffenschaarste zullen aankijken, en China lijkt dat als enige land in de smiezen te hebben. Kleitabletje iemand?

bericht uit Shanghai (1)

Schrijvers zijn toeschouwers. Dat telt dubbel als ze in een land als China worden gedropt, waar ze de taal niet spreken en de gewoonten niet begrijpen. Zeker in een stad als Shanghai hoef je niet veel moeite te doen om verloren te lopen. Vanop afstand lijkt het alsof die stad met het decor van Blade Runner is gaan lopen, zij het zonder de zweefauto’s en enge robots. Maar kijk aandachtiger en je vindt raakpunten.

Chinezen zijn praktische mensen (1). Net als ons hebben ze last van koude handen – zeker de gemotoriseerde Chinees. Reden waarom op het stuur van elke bromfiets een paar dikke, met schapenwol gevoerde ovenwanten is gemonteerd, zodat het lijkt of de bestuurder uit zijn tweewieler komt gegroeid.

Chinezen zijn praktische mensen (2). Waarom bijvoorbeeld electriciteitsmasten zetten waar er bomen groeien? In de French Concession-wijk torsen platanen dan ook dikke kabels.

Koffie is de nieuwe thee in hedendaags Shanghai. Nergens meer Starbuck’s-filialen dan in deze stad (zie foto), en ze worden heus niet alleen bezocht door ex-pats. Als het ooit tot een oorlog komt tussen de wereldmachten zullen Amerikaanse en Chinese generaals op het slagveld alleszins hetzelfde bakje troost drinken. Lang leve de globalisering.

Als ik aan Portugal denk, denk ik aan de met wasgoed behangen stegen van Porto. Ook het Chinese wasgoed hangt kriskras uit het raam te drogen, vaak torenhoog boven drukke wegen. Ja, Portugezen en Chinezen, ze hebben veel vertrouwen in hun wasknijpers.

Denkend aan wasknijpers voelt een mens zich al een pak minder ontheemd.