weekberichten: een jongen van 47

Mei had een feestmaand moeten worden. Drie maanden lang had ik hard doorgeschreven aan een nieuwe versie van het volgende boek. Ochtendblokken van vier uur tijdens weekdagen (ik heb een halftijdse baan, vandaar) en sessies van acht uur op die zaterdag- en zondagen die geen sociale verplichtingen bevatten. Op maandag 13 mei reviseerde ik de laatste pagina en stuurde het manuscript naar mijn uitgever door. De zweep hoefde er niet langer over, het mocht allemaal een beetje meer lentissimo. Tijd om op een zonovergoten terras plaats te nemen en te klinken op de bestsellerstatus die het boek ongetwijfeld zal bereiken.

Hoe weinig grip een mens op zijn ondermaans bestaan heeft.

Op woensdag 15 mei, omstreeks drie uur ’s middags, liep het trieste nieuws binnen in een van de talrijke Whatsapp-groepjes van de oud-scoutsvrienden. Nauwelijks 47 geworden bleek je grote hart een maatje te groot voor een mens.

We waren achttien toen we kennismaakten. Je had een gesteven jeansbroek met aangenaaide sneakers aan je plafond hangen zodat het leek of er iemand dwars door je dak was gevallen. Ik liet de jeugdhuizen van Edegem en omstreken (remember ’t Kruispunt?) voor wat ze waren en verkende samen met jou en Antwerpse nachtleven. We zagen hoe de dj zijn New Beatplaten inruilde voor die van R.E.M. en Nirvana, morsten bier op onze kleren terwijl we als idioten rondsprongen op de tonen van de Pixies . Aan de toog beleden we onze liefde voor de strips van Marvano en Hugo Pratt en voor alle vrouwen die we niet konden krijgen.

Na mijn partieels in Tweede Kan huurden we met een hoop een chalet in Waimes en raakten er ingesneeuwd. Overdag nestelden we ons met drank en muziek en het eten dat we niet lieten aanbrandden rond de open haard, ’s nachts maakten we lange wandelingen in de Ardense heuvels en gleden om ter verst over de ingeklonken sneeuw.

Toen we afstudeerden, reden we met drieën in jouw Fiatje naar Portugal. Het was een last minute-idee – jij had zelfs de tijd niet gevonden om naar een deftige reistas te zoeken en had je kleren in een wasmand op de achterbank gedumpt. We vonden een klein kustplaatsje ten zuiden van Porto, zetten onze tent op in een camping naast het strand en wilden er niet meer weg. De onstuimige brekers van de Atlantische Oceaan maalden niet om die drie Belgen en smeten ons telkens weer met een doodsmak op het strand. We begrepen geen woord Portugees. Je bestelde drie avonden na elkaar hetzelfde gerecht in ons favoriete restaurant en kreeg elke keer een ander gerecht op je bord. Onderweg naar huis moesten we het stuur vasthouden terwijl jij het dashboard open schroefde om een losgekomen kabeltje te repareren – je vond het euvel niet belangrijk genoeg om er een stopplaats voor op te zoeken.

Je had principes die je niet zomaar wilde verloochenen. Dat bleek aan de toog en in de tribune, dat bleek ook tijdens hoog oplopende discussies op scoutsraden en tijdens kampen. Je nam je scoutsengagement ernstig en verwachtte van iedereen dezelfde inzet. Toen een van je leden even vermist raakte, zag ik op het VTM-nieuws hoe een sociaal assistente je ter wille van de camera de levieten las. Wist zij veel.
We hebben nooit samen in een tak gestaan. Jammer eigenlijk.

We werden ouder. Jij trouwde, kreeg twee kinderen. Terwijl ik mijn boeken begon te schrijven, ging jij resoluut voor het vaderschap. We zagen elkaar niet langer wekelijks maar maandelijks en op de duur halfjaarlijks. Ook al hadden we elkaar in geen zes maanden meer gezien, we gingen verder waar we de laatste keer geëindigd waren. In maart zagen we elkaar voor het laatst. Het leven bleek geen nieuwe ontmoetingen meer voor ons in petto te hebben.

Afgelopen vrijdag namen we afscheid. De zaal barstte uit haar voegen. Veel persoonlijke getuigenissen, veel verdriet. Je zuster, je broers en ook je dochtertje brachten erg mooie teksten – je bent vast erg trots op haar. Net als haar broer zal ze het ver schoppen.
Gisteren hielden we een afscheidsdronk in café Den Hovenier (waar anders?). Het terras barstte uit haar voegen. Veel persoonlijke verhalen, veel plezier. Fijne avond, al kreeg uitbater Patje het even moeilijk – en wij met hem – toen hij het café sloot.

Shine on, you crazy diamond. We zullen je missen.

De koude kant – een Verzincolumn

Duizend bommen en granaten. Mijn vorige blogpost dateert van toen de vorige Verzin in de bus zat. Herinnert u zich dat moment nog? We hadden John Bercow nog niet van ‘Ordèèèr, ordèèèr’ horen roepen in The House of Commons, Greta en Anuna waren nobele onbekenden en Ben Weyts propageerde het rekeningrijden nog. Zo lang geleden dus.

Is er dan iets gebeurd tijdens de afgelopen drie maand? Van alles. Het belangrijkste is die Vijfde Roman natuurlijk. Ik ben halverwege versie drie en het schrijven gaat goed, maar de details houd ik voor een volgende bericht (dat geen drie maand op zich zal laten wachten, beloofd). Verder ligt de nieuwe Verzin natuurlijk in de rekken, met Rachida Lamrabet op de cover en een dik dossier over Digital Storytelling. En daarom zwier ik zoals vanouds een eerdere column in de aanbieding. Bij deze.

Greet geloofde wel, maar ze wist niet goed waarin. Het kon best God zijn, en dus hebben ze zonder morren of discussie hun jawoord ook voor God gegeven, al hield Willem zijn vingers achter zijn rug gekruist, althans in gedachten, anders zou zijn hele familie het gezien hebben.

Wanneer de lezer Willem voor het eerst ontmoet, is het november en zit hij op een bankje aan de rand van de dokken. Naar huis kan hij niet. Daar wacht zijn overspelige vrouw – hij weet dat ze overspel heeft gepleegd omdat ze hem dat eerder die avond zélf heeft opgebiecht. De naam van de echtbreker is Ronald maar dat moet je op zijn Engels uitspreken, als Wanuld. Plots krijgt Willem het gezelschap van een man die aan de andere kant van de bank gaat zitten. Het heerschap rookt twee sigaretten, staat op en springt in het water. Omdat hij zelfdoding geoorloofd vindt, maar er zelf voorlopig geen baat bij heeft, doet Willem geen gekke dingen zoals heldhaftige reddingspogingen ondernemen of zo. In plaats daarvan staat hij op en gaat naar huis.

Willems vrouw Greet is de jongste van de drie zussen Gebruers en alle drie zijn ze van straat geraakt. Wanneer Willem zijn verhaal heeft gedaan, geeft hij het woord aan zijn schoonbroer Stef die het op zijn beurt doorspeelt aan de andere schoonbroer Danny. De koude kant van de familie als vertelperspectief en die koude kant zit tot over zijn oren in een relatiecrisis. Er is overspel in het spel, en bij overspel deelt iedereen in de klappen. Zelfs Belgisch wielerkampioen Philippe Gilbert. U moet het lezen om het te geloven.

My friends don’t seem to be friends at all, just people whose phone numbers I haven’t lost.

Een citaat van de Britse schrijver Nick Hornby, want dat is waar het verhaal van Willem, Stef en Danny me aan deed denken, aan de boeken van Hornby. Niet omdat zelfmoord een thema is, zoals in A Long Way Down, ook niet omdat er veel en graag over muziek wordt gesproken zoals in High Fidelity, nee, omdat de humor die de koude kant van de familie bezigt zo heerlijk Brits en onderkoeld is.

De titel van deze aparte familieroman is Een paar is twee, de auteur Toon Van Mierlo. En deze column is een warm pleidooi om het te lezen. Op een bankje aan de dokken bijvoorbeeld.

Poe-tie-wiet? – een Verzincolumn

De nieuwe Verzin heeft intussen zijn weg naar uw postbus gevonden. Naast interviews met Nina Weijers, Anna Enquist en Lenny Peeters wordt er ook aandacht besteed aan censuur in de (Westerse) literatuur – iets wat ik als PEN-bestuurslid alleen maar kan toejuichen.
Traditiegetrouw gooi ik bij elk nieuw nummer een oude column online. Bij deze.

PA SYSTEM: “Attention, all base members must report for a drug test for marij – marija -… disregard last transmission.”

M*A*S*H is een film van regisseur Robert Altman (1925-2006) over de lotgevallen van een Amerikaans veldhospitaal tijdens de Koreaanse oorlog. De film uit 1970 won de Palme d’Or in Cannes, de Golden Globe voor beste film en een Oscar voor beste scenario. M*A*S*H en The Big Lebowski zijn tot dusver de enige films die me keer op keer weer doen schaterlachen.

Hij had besloten om eeuwig te leven of tenminste strevend hiernaar te sterven en telkens wanneer hij opsteeg, bestond zijn enige taak erin om zijn toestel heelhuids weer aan de grond te zetten.

Met Catch-22 schreef Joseph Heller een roman over de absurditeit van de Tweede Wereldoorlog. Protagonist Yossarian toont zich ontzet over de vaststelling dat allerhande nobele onbekenden hem proberen te doden. Hij wil maar één ding: heelhuids uit de oorlog komen, maar wordt daarin gedwarsboomd door de sinistere bureaucratische logica van de zogeheten Catch-22. Het boek werd in eerste instantie naar het Nederlands vertaald als Paragraaf 22, maar behield in latere edities zijn oorspronkelijke titel omdat het begrip in tussentijd zijn weg naar ons woordenboek had gevonden.

Catch-22 is een van de drie bekendste Amerikaanse romans over de Tweede Wereldoorlog. De tweede is The Naked and the Dead van Norman Mailer. Het derde: Slaughterhouse 5 van Kurt Vonnegut. Aan Vonneguts bekendste roman gingen twintig jaar van worsteling en wanhoop vooraf. De schrijver was krijgsgevangene in Dresden toen de geallieerden de stad met tapijtbombardementen in de as legden en maakte de gruwel van de oorlog vanop de eerste rij mee. In 1967 keerde Vonnegut terug maar het bezoek aan de onherkenbaar veranderde stad zette weinig zoden aan de dijk. Gortdroge research – het aantal geallieerde bommenwerpers, de tonnage aan explosieven – leverden geen bruikbaar materiaal op. Bovendien was hij er als de dood voor om een boek te schrijven dat als een pro-oorlogspamflet kon worden geïnterpreteerd. Redding kwam na het lezen van Célines Voyage au bout de la nuit. Vonnegut besloot zijn waarheidsgetrouwe vertelling los te laten en zijn verbeelding te omarmen. Slaughterhouse 5 werd een non-lineaire satire met een onbetrouwbare verteller in de hoofdrol.

Rauwe, realistische anti-oorlogsfilms als Full Metal Jacket en Saving Private Ryan werden inmiddels gerecupereerd door haviken op oorlogspad. Dat zal niet zo gauw gebeuren met een M*A*S*H, een Catch-22 en een Slaughterhouse 5.

Of hoe humor het verschil kan maken.

weekberichten: van boekhandel tot Barakstad

zaterdag 1 december
De Groene Waterman bestaat 50 jaar. Dat een onafhankelijke boekhandel met het hart op de juiste plaats zoveel kaarsjes mag uitblazen, is een prestatie die gefêteerd mag worden. Sterker, in feite verdiende dit een bezoekje op het Schoon Verdiep, maar iets zegt me dat onze burgemeester andere dingen aan zijn hoofd had. Ik kan me natuurlijk vergissen.
De speeches ontroerden. De vaststelling dat geen énkele gast het in zijn hoofd haalde om zijn glas wijn op een stapel boeken neer te zetten nog meer.

maandag 3 december
Met PEN Vlaanderen streken we ’s avonds in de Arenberg neer. Onze Eritrese PEN-flatgast Haile Bizen bracht eigen werk, we leerden hoe de gevangen Koerdisch-Turkse Zehra Dogan haar toevlucht neemt tot krantenpapier en etenswaren om mee te tekenen – geen Caran d’Ache in de cel, en we luisterden naar het verhaal van de Kameroense schrijver Enoh Meyomesse. Meyomesse zat meer dan drie jaar vast. Daarvan bracht hij dertig dagen in afzondering en absolute duisternis voor.
Stel het je even voor. Dertig dagen. Absolute duisternis. Eten, naar de wc gaan en voor de rest alleen maar je eigen hoofd.

dinsdag 4 december
Zonet de laatste pagina van Schrijven in de Grauwzone omgeslagen, de voortreffelijke biografie die Chris Ceustermans over J.M.H. Berckmans schreef. Enigszins verbluft, moet ik zeggen, niet zozeer omwille van hoe de chroniqueur van Barakstad “langzaam verdronk in het nulpunt”, zoals Ceustermans het zelf omschrijft, maar wel omdat Berckmans al die jaren gewoon achter mijn hoek heeft gewoond. Op weg naar de Sint-Laureisstraat fietste ik quasi dagelijks langs zijn ocmw-appartement in de Lange Batterijstraat. Stérker, Jakke de Fietsenfikser, een van de mensen die zich op het eind van diens leven over Jean-Marie had ontfermd, is de zoon van mijn toenmalige huisbaas. De fiets waar ik nu nog op rijd, kocht ik toen hij zijn zaak nog in de Belegstraat had. Naar verluidt vertoefde Jean-Marie vaak in die kleine starterszaak. Hij moet een snipperdag hebben genomen toen ik me er mijn Achielle aanschafte.

John Vervoort liet ons Berckmans lezen op de SchrijversAcademie. Als Carla zwijgt, zo heette het kortverhaal uit de bundel uit Café De Raaf nog steeds gesloten – de titel is me ook na twintig jaar nog niet ontglipt.Dat Vervoort in het boek naar voren wordt verschoven als één van Berckmans’ grootste fans komt dan ook nauwelijks als een verrassing.

Café De Raaf zal overigens ook nooit meer opengaan. Het gebouw werd twee jaar geleden tegen de grond gesmeten. Een nieuw blok rees uit de bouwput. Geen café, wel een Japans restaurant. En een gedenkplaat aan de glimmende gevel ter nagedachtenis aan het café en haar auteur. Tot ook dat gebouw weer wordt platgesmeten. Want zo gaan die dingen.

6 december
Petekindje is braaf geweest en dus heeft de Sint hem met een bezoekje vereerd. Hij is negen en is er zopas en with a little help from his friends achtergekomen dat de sint “een legende” is (zijn woorden). Toen hij zijn mama met de waarheid confronteerde, bevestigde zij. ‘Inderdaad, de sint is een legende, en nu weet je meteen waarom mama en papa altijd zo actief worden van zodra jij in de nacht van 5 op 6 je bed ligt.’ Petekindje beet de kop van een chocolade ventje en bleef er nuchter onder.
Een vriendin van me – ze heeft zelf kinderen intussen – geloofde vroeger ook in de Goedheiligman. Op een avond vonden mama en papa de tijd rijp om haar in vertrouwen te nemen. De volgende ochtend rende ze vol opwinding de speelplaats op om aan al haar vriendinnetjes te vertellen dat “haar papa het geheim van de sint had verklapt, namelijk dat hij de sint was!!!”.
Dertig jaar later heeft de anekdote niets van zijn humor verloren.

 

Kim Gordon in de Fruithoflaan en andere verhalen

Armoe troef op deze pagina de laatste tijd. (De weblog oogt leger dan het hoofd van Nadine Dorries, het Britse parlementslid dat May’s Brexit-deal maar niks vond “omdat de Britten na de Brexit geen zitjes in de EU meer kregen.” Láchen!) Me erover schuldig voelen, doe ik  niet. Ik citeer een Amerikaanse schrijver en laat het daarbij:

Writing is not necessarily something to be ashamed of, but do it in private and wash your hands afterwards. (Robert A. Heinlein)

En dat is wat ik gedaan heb, maar daarover later meer.

Dat betekent natuurlijk niet dat ik sinds mijn laatste échte bericht (mijn ode aan The Leftovers van 27 augustus) niets meegemaakt heb. Zo werd op de Boekenbeurs een boek boven de doopvont gehouden waar ik samen met Vitalski aan heb mogen meewerken. Mijn Azertyfactor, aan de slag met schrijftalent bundelt vijfentwintig getipte teksten van het schrijfplatform Azertyfactor en zet de lezer met schrijfopdrachten ook zélf aan het schrijven. Het boek werd op 27 oktober feestelijk voorgesteld door Vitalski himself in het Schrijfsalon, de stand van Creatief Schrijven op de BB.

dode das

Mij niet gezien tijdens de voorstelling? Dat is mogelijk. Dit jaar geen Bontenakel op de Boekenbeurs. Bontenakel was met vrienden op retraite in het landelijke Hombourg, een klein dorpje ergens tussen de Voerstreek en het drielandenpunt. Omdat hij wat te vieren had, maar daarover later meer. Maar ook omdat er van een echte vakantie nog niet veel in huis was gekomen dit jaar, tenminste toch niet van de soort waarbij je kou zit te lijden in je tent en onder de douche teken in je knieholten ontdekt. Niet dat er in Hombourg tenten of teken te bespeuren vielen. Wat doe je als je met een hoop vrienden, hun kinderen en hond Lina een week de hort op gaat? Je maakt herfstwandelingen, drinkt streekbieren in de plaatselijke brouwerij (Grain D’Orge), verliest met Carcassonne Amazone, krijgt regelmatig de slappe lach en wisselt belangwekkende anekdotes uit. Zo vernam ik dat Kim Gordon tegenwoordig in de Delhaize aan de Fruithoflaan werkt. ‘Twee druppels water ons Kim, ‘k zweer het,’ zei vriend S. stellig. En waarom zouden we zijn woord in twijfel trekken?
Voor de eerste keer in mijn leven ook een das gezien. Kolossaal beest. Jammer dat ‘ie dood was.

het nieuwe manuscript

De dode das brengt me naadloos bij wat ik eigenlijk wilde zeggen. Dat ik – onze vriend Heinlein indachtig – mijn handen heb gewassen vandaag. Dat de deur van de schrijfkamer open mag. Vanochtend voltooide ik het laatste hoofdstuk van boek n° 5. Het “Eilandboek” zoals ik het lang genoemd heb, al luidt de uiteindelijke titel wel anders. Niet dat die titel al gekend is, daarvoor is het nog veel en veel te vroeg. Maar ik heb thans wel een versie van mijn boek in handen die ik eerst naar mijn uitgever en nadien naar een paar andere proeflezers wil sturen.

De rest van de maand kan je me met afgekloven vingers en bevend van de cafeïne in de buurt van de Fruithoflaan terugvinden.

Maar nu eerst een streekbiertje.

Eelt – een Verzincolumn

De nieuwe Verzin heeft intussen postgevat op nachtkastjes en toiletspoelbakken. Naast een gesprek met Johan de Boose over leven en schrijven bevat het nummer een kloek dossier over sciencefiction. Een nieuwe Verzin betekent automatisch ook een oudere column op deze site. Over de schrijver op zijn kwetsbaarst.

“Ek zweer het moat, gij schrijft just lijk diene Murakami.” In het leven van elke schrijver komt er een moment waarop je geen rekening meer kunt houden met het oordeel van de mama, de vrienden of het lief. Je bent gaan beseffen dat goed en goedbedoeld niet hetzelfde is, je wilt méér, je hunkert naar het oordeel van iemand die doorkneed is in de letteren. En zodra je die initiële schroom overwonnen hebt, trek je met je schrijfsels de wereld in. Het is de schrijver op zijn kwetsbaarst.

Met een beetje geluk kruist Samuel Beckett je pad, het is te zeggen, iemand die dezelfde principes huldigt. De jonge Ierse schrijver Aidan Higgins stuurde de Nobelprijswinnaar in 1958 een kortverhaal, in de hoop opgepikt te worden. Beckett vond het verhaal te min voor publicatie, maar schreef een mooie brief vol constructieve feedback terug. Higgins bekende later aan een vriend dat de brief hem wellicht meer had geholpen dan daadwerkelijke publicatie.

Heb je pech dan kom je in de klauwen terecht van een parvenu als J. De Witte. Ken je hém nog, die leeggemolken teelbal die in voorjaar 2015 carte blanche van de krant De Morgen kreeg om de nieuwe generatie schrijvers een mes in de rug te steken?

Ik had geluk. Eén, omdat ik een laatbloeier was en mijn ziel inmiddels voldoende eelt had gekweekt om in de SchrijversAcademie de sloophamer van Mark Insingel te overleven. Ten tweede omdat ik op krèk dezelfde plek feedback kreeg van mensen als John Vervoort, Erik Vlaminck en Marc van Alstein – allemaal Becketts in het diepst van hun gedachten. Een medestudent was minder fortuinlijk. Net als ik had Eli de Insingel overleefd, maar hij kreeg in het tweede jaar alsnog te maken met een J. De Witte. Eli had hard gewerkt aan dat kortverhaal van hem en die avond was hij aan de beurt om het voor te lezen. Ik keek ernaar uit – Eli schreef goeie dingen. Maar Eli daagde niet op. ‘We zijn hem kwijt,’ legde de docent die avond uit. Hij las de mail voor die hij eerder die dag had ontvangen. Eli had het verhaal aan zijn vrouw gegeven, een door de wol geverfde journaliste. Ze had zijn verhaal door de hakselaar gehaald. Haar oordeel kwetste hem diep maar hij gaf haar gelijk. Het zou nooit wat worden met de letteren. Hij gaf er de brui aan. In de zeventien jaar die intussen zijn verstreken, heb ik niets meer van hem vernomen.

Feedback geven, een verpletterende verantwoordelijkheid.

weekberichten – duikbootsonars en vermetele schrijvers

maandag 20 augustus
Het is een beetje als met katten wanneer je op reis vertrekt. Bij terugkeer hebben ze je bankstel ondergepist en blijven ze een dag lang Oost-Indisch doof voor elke poging tot toenadering, de volgende ochtend word je gewekt omdat ze je per se om 6u kopjes willen komen geven.

Vandaag neem ik voor het eerst mijn vijfde boek weer uit de lade. Zij die me een beetje kennen, weten dat ik een poos twee banen heb moeten combineren, en omdat ik mezelf niet opnieuw wilde opbranden (blader terug naar 2014 voor het abc van De Angstaanval), verzegelde ik drie maanden lang mijn schrijftafel. De zegels gingen er in juli weer af, maar omdat ik samen met de rest van de wereldbevolking aan uitstelgedrag lijd, maakte ik mezelf wijs dat een welbepaalde verhaallijn in het nieuwe boek meer research behoefde en bleven de zestig uitgetikte manuscriptpagina’s een maandje extra in hun lade. Ik correspondeerde met scheepswerven en het agentschap Onroerend Erfgoed, raadpleegde de Conscience-Erfgoedbibliotheek en de vakbibliotheek van het MAS, bezocht het NAVIGO-visserijmuseum in Oostduinkerke en las de zeilverslagen van Joshua Slocum en Eerde Beulakker. (Staat nog op het programma: het Scottish Fisheries Museum in Anstruther, maar daar heb ik voorlopig de centen niet voor.)

Maar nadat we elkaar een weekendje besnuffelden, zette ik me vandaag weer achter het klavier. Ik schrijf lang niet het aantal woorden dat ik me voorgenomen had, toch zoek ik die avond moe maar tevreden mijn bed op.

donderdag 23 augustus
Het petekindje op bezoek en dus haal ik mijn oude Lego Space-dozen weer uit de kast – elk excuus is goed om met Legoblokjes te kunnen spelen. We bouwen X-wings en snowspeeders en spelen de aanval op Hoth na. ’s Avonds zoek ik moe maar tevreden mijn bed op.

vrijdag 24 augustus
Fietsend door de Montignystraat. Ergens in de buurt (Vlaamse kaai?) worden er palen in de grond geheid. Het klinkt alsof iemand de duikbootsonar op zijn dakappartement heeft aangezet. Alles was drin ist!

zaterdag 25 augustus
Geen plannen gemaakt vanavond, want vanavond wil ik weten hoe The Leftovers afloopt. Wie nog nooit gehoord heeft van deze serie, hoeft niet verbaasd te zijn: de kijkcijfers waren rampzalig. De enige reden waarom ik de serie ken, is omdat ik stoemelings over de eerste aflevering op Canvas struikelde. Maar zelfs Canvas vond het gebrek aan kijkers te gortig en vertikte het om seizoen 3 uit te zenden. Het wachten beu, en omdat ik toch in de bibliotheek moest zijn voor mijn Eerde Beulakker-boeken, heb ik de dvd mee naar huis genomen.

Ken je Damon Lindelof? Hij was de man die Lost schreef. Maar vergeet Lost. Lost was niet meer dan een vingeroefening voor het superieure The Leftovers.
De premisse: op een dag verdwijnt 2% van de wereldbevolking van de aardbol. Abrupt en zonder ook maar een spoor achter te laten. Wie spannende queestes of X-Files verwacht, komt bedrogen uit. De premisse verdwijnt gauw naar de achtergrond om plaats te maken voor de échte hoofdrolspelers: zij die kapot van verdriet achterblijven en in de nasleep van de catastrofe hardnekkige pogingen ondernemen hun leven weer op de rails te krijgen. Of de pedalen compleet verliezen.

The Leftovers is bitterzoet, hartverscheurend én vermetel. Hulde aan bedenkers Damon Lindelof en Tom Perrotta voor wat zij op het scherm durfden te brengen. Hulde aan Justin Theroux (neef van Paul) en aan Carrie ‘Fargo’ Coons voor hun vertolkingen. Hulde ook aan componist Max Richter die voor de muziek zorgde. Ik hoef zijn Departure Suite maar in mijn hoofd af te spelen en ik krijg het al moeilijk.

Prachtserie. Mag naast Breaking Bad en seizoen 1 van True Detective.

Fijn, u hebt de hint begrepen.

weekberichten: Oostende – Operaplein – Middelheim

Vrijdag 27 juli: Oostende
Op tijd uit bed voor een duik in de zee, kwestie van de hitte en de drukte voor te zijn. Zwemmen in het ruime sop, het was weer even geleden. Dat komt ervan als je de liefde voor de koude kusten belijdt, dan ga je naar plekken waar de zee geen dode kwallen maar gletsjerijs op het strand kwakt (IJsland, 2015) of de branding graag elk bot in je lijf zou breken (Schotland, 2017).
Te drijven in een zee zo glad als een biljartlaken.

Onderweg naar mijn handdoek kruis ik een jongen met een metaaldetector. Het apparaat klikt en zoemt, de jongen gromt en graaft. Loos alarm. Een leeg blikje cola. Geen tijd voor een omweg langs de dichtstbijzijnde vuilnisbak. Er moeten immers piratenschatten en kwijtgeraakte iPhones gedolven worden. Hij laat het blikje in het zand vallen en vervolgt zijn weg.

’s Avonds neem ik plaats in een broeierig hete foyer in De Grote Post, één van de locaties voor Theater Aan Zee-voorstellingen. Ik ben namelijk niet enkel in Oostende voor de zwempartijtjes, ik ben hier ook om te werken. Werken voor de Scenaristengilde, dat betekent: de verslaggeving doen van het filmluik op TAZ, want TAZ heeft naast het theater- en het literaire luik ook aandacht voor het witte doek (hashtag lovemyjob, maar dit geheel terzijde). Zelf niet ter plekke geraakt? De drie verslagen staan intussen online op  www.scenaristengilde.be.

Woensdag 1 augustus: Consciencebibliotheek
De research voor mijn volgende boek leidt me vandaag naar de fantastische erfgoedbibliotheek die Antwerpen rijk is. Onderweg maak ik een omweg langs het heraangelegde Operaplein om te controleren of het waar is wat ze zeggen op de sociale media. En het is waar wat ze zeggen op de sociale media: het is een betonnen vlakte geworden – zie foto. Tussen de Rooseveltplaats en de Tunnelplaats werden 183 bomen gekapt en voorlopig hebben ze er nog geen enkele nieuwe geplant. Laten we hopen dat het herbebossingsgedeelte voor de nabije toekomst zal zijn, of Antwerpen wordt in de Lonely Planet nog het “Raqqa aan de Schelde”.

Vrijdag 3 augustus: “Open the pod bay doors, HAL.”
Weer een nieuw woord bijgeleerd vandaag: “teledildonica”. De term viel te rapen in een Knack-artikel van Heleen Debruyne. Teledildonica is “een verzamelnaam voor een bepaalde groep computergestuurde seksspeeltjes die beogen de gebruiker of gebruikster (al dan niet met hulp van een op afstand aanwezige partner) genot te schenken met als doel een orgasme te bereiken”.

De naam doet me denken aan het Suske & Wiske-album Tedere Tronica dat in 1968 gepubliceerd werd. Jerom en Lambik die allebei op een vrouwelijke robot verliefd werden. Pittig detail, in datzelfde jaar kwam ook 2001: A Space Odyssey uit.
Iedereen heeft het over de visionaire Kubrick, niemand over de visionaire Vandersteen.

zondag 6 augustus: taartpunten en ontzenuwde kiezen
Een luie zondagochtend op het caféterras in het Middelheimpark met een kop koffie voor mijn neus en een boek op schoot. Alleen met de Spray de wereld rond van Joshua Slocum, over de allereerste solozeiltocht om de wereld – romanresearch dwingt godzijdank voortdurend tot verkenningstochtjes op onbekend terrein.

Achter me: twee vriendinnen en hun geanimeerd gesprek.
‘Drie uur lang met mijn mond open in die stoel gezeten. En die tandarts heeft geen mottig woord gesproken.’
‘Ha ja, jij kunt niets terugzeggen.’
‘Zeven keer ben ik al bij die Herman geweest. Zeven keer!’
‘Hoe, is het nog niet in orde dan?’
‘Als die kies écht ontzenuwd is, zou ik hem toch niet bij elk warm en koud drankje mogen voelen.’
Een kwartier later ging het nog over tandheelkunde.

Een heleboel hondenliefhebbers op het terras vandaag. Eentje heeft een thermos water en een drinknap meegebracht voor haar windhond, maar de viervoeter wil van geen water weten. Verder een man met een vrolijk rieten hoedje die een taartpunt met zijn vrouw deelt, een gezin dat de oma op een ontbijt trakteert en de borsten van de bazin die uit een veel te ruime shirt vallen.

Twee vrienden – een Verzincolumn

De nieuwe Verzin ligt intussen op menig terrastafeltje en tuinzetel, en als trouwe fan hebt u de column natuurlijk het eerst gelezen en daarbij het vermaledijde werk van de zetduivel gespot. Inderdaad, in de allerlaatste regel diende een mens zich af te vragen of de schrijver in zijn “opzet” geslaagd was, en niet in zijn “opleg”. De schrijver in kwestie was immers niet aan het scheiden, diende zijn echtelijke woning niet in te kopen en had dus geen opleg van doen.
Naar goede gewoonte zet ik een column uit de oude doos op deze site. Deze komt uit de zomer-Verzin van 2016 met – jawel – columnschrijven als thema.

Ze waren van hetzelfde jaar. Godfried werd in maart geboren, Simon in oktober. De rol van oudere schrijversbroeder zou Godfried met verve spelen. Ter ere van Simons vijftigste verjaardag schreef hij: “Nu is het ook weer niet zo, dat ik héél veel beter ben. Ik ben dat wel, maar dat laat ik niet merken. Je moet nooit, zeg ik altijd, een mens ontmoedigen. Ik blijf vlák voor hem uitlopen, en dát houdt de vaart erin.”

Jarenlang was Godfried de meest gelezen schrijver van Nederland. Literaire erkenning bleef echter uit – de kritiek wist niet wat ze met zijn lichtvoetige stijl aan moest. Simon  worstelde daarmee. “Ik heb het feit dat men déze man nimmer een letterkundige prijs heeft gegeven zeer potsierlijk gevonden. Ja, Godfried is een groot schrijver, maar je mag het alleen niet zeggen, zegt men. Waar een klein literair wereldje klein in kan zijn.”

Simon schreef zijn dagelijks cursiefje thuis, op een bankje in het park, in de kroeg. Hij hield er een hardnekkig drankprobleem aan over. Daar wist Godfried wel weg mee. “Wat Simon in hoofdzaak beoefent is het cafébezoek. Hij brengt ons daar in kennis met wat melancholieke grijsaards en andere ondermijnde figuren die in hun reeds half geleegd glaasje tengere dingen zeggen waardoor het drankgebruik een dubbele bodem krijgt.”

Godfried had grote plannen voor allerhande boeken. Hij wilde een grote roman over de zee schrijven, een boek over beroemde sterfbedden, een Dickensbiografie. Het is bij plannen gebleven. “Het is waar wat Bertus  Aafjes over hem zei,” vertelde Simon later, “hij heeft een heel oeuvre ongeschreven gelaten.”

Ze waren elkaars bewonderaars. Godfried noemde Simon een grootmeester van de miniaturen en sloeg zijn boek Kroeglopen hoger aan dan 99 percent van de romans die de voorbije tien jaar waren geschreven. Simon noemde Godfried na diens overlijden een groot, onvervangbaar schrijver, wiens werk nog vele jaren door tallozen zal worden gelezen.

Ze leerden elkaar kort na de oorlog kennen. Simon schreef toneelrecensies in Het Parool. Godfried deed hetzelfde in De Volkskrant. Iemand vond het een heilzaam idee om de Amsterdamse toneelcritici in een kring te verenigen. Simon nam het thesaurierschap op zich. Elk lid werd geacht 2,5 gulden te storten. “En als de rijksdaalders binnen zijn, wat doet Carmiggelt dan met die penningen?” wilde Godfried eerst weten.

Bomans en Carmiggelt – aartsvaders van de column, buitengewone stilisten, vrienden.

Meer weten? Lees Beste Godfried, beste Simon. Simon Carmiggelt en Godfried Bomans aan en over elkaar (de Boekerij, 1999)

Eenzaamheid alfabetisch en de verfilming van mijn boek

Johanna Spaey is een mooi oeuvre aan het opbouwen. Dood van een soldaat, Vlucht, De eenzaamheid van het westen – boeken die u allang gelezen hoort te hebben.

Met Kleine encyclopedie van de eenzaamheid voegt ze daar een onmisbare titel aan toe. Geen roman ditmaal, wel een bundeling van vierhonderd alfabetisch gerangschikte lemma’s die telkens een ander facet van de eenzaamheid weerspiegelen. Daarbij veel aandacht voor boeken en auteurs, maar even goed lemma’s over Assepoester, Ikea en het kosmonautenhondje Laika:

Een van haar trainers neemt haar voor haar vertrek mee naar huis om met zijn kinderen te spelen. Een laatste keer; iets aardigs, net als die kus op haar neus voor ze de ruimte in wordt geschoten.

Muziek passeert regelmatig de revue. Een mooie beschouwing over Ruby van Kenny Rogers, over een man die verlamd van de oorlog terugkeert en zijn dagen roerloos in bed doorbrengt. Hij hoort zijn vrouw de voordeur achter zich dichtslaan – ze gaat op jacht naar een man die wél met haar kan dansen en vrijen – en zijn gedachten reiken naar het geweer waar zijn armen niet bij kunnen.

De mens is een fundamenteel eenzaam wezen. Voor de schrijfster van dit boek biedt dit inzicht niet alleen troost, het was ook de aanzet om er een betekenisvol boek over te schrijven dat op elke boekenplank thuishoort. De uitgave even zorgvuldig als het taalgebruik, de observaties scherper dan een cameralens.

Deze lezer heeft er alvast een plekje op ooghoogte voor gevonden. Op dagen dat de eenzaamheid te nadrukkelijk aanwezig is, hoeft hij zijn arm maar uit te strekken.

“De verfilming van mijn boek”, da’s natuurlijk platte click bait. Mijn boek wordt helemaal niet verfilmd. Wat wél een verfilming kreeg, is Marwencol, de schitterende documentaire waar Schaduw en vuur schatplichtig aan is. De documentaire vertelt het verhaal van Mark Hogancamp, een man die meedogenloos in elkaar werd getrapt en niet alleen zijn geheugen maar ook zijn fijne motoriek op het asfalt achterliet. Ik vertelde er eerder over in dit bericht, en zij die Schaduw en vuur hebben gelezen, weten intussen dat protagoniste Nora Ehlinger en Mark Hogancamp zielsverwanten zijn.

Wel, de man is intussen door Hollywood ontdekt. IMDB zette de eerste trailer deze week online. Steve Carrell vertolkt Hogancamp en dat lijkt me een prima keuze. Toch overtuigt de trailer me niet. Voor de Hogancamp uit de documentaire was het Ardens poppendorp een overlevingsstrategie, een manier om in het reine te komen met die gewelddadige avond die zijn leven abrupt op andere sporen zette. Dat zie ik niet in de trailer. Toen zijn werk in een New Yorks museum werd tentoongesteld, toonde de Hogancamp van de documentaire meer belangstelling voor de pumps van de bezoeksters dan voor zijn eigen foto’s – Hogancamp was een travestiet; het was de reden waarom hij in elkaar werd getrapt. Niets van dit alles in de trailer.

Regisseur Robert Zemeckis geeft zijn eigen draai aan het verhaal, een draai die honderdtachtig graden lijkt te verschillen van de mijne. Ik vrees dat hij er een feel good movie van gemaakt heeft, en bij een feel good movie voel ik me – nu ja – niet altijd even prettig.

Maar goed: trailers vertellen het hele verhaal niet. En reken maar van yes dat ik ga kijken.