Twee vrienden – een Verzincolumn

De nieuwe Verzin ligt intussen op menig terrastafeltje en tuinzetel, en als trouwe fan hebt u de column natuurlijk het eerst gelezen en daarbij het vermaledijde werk van de zetduivel gespot. Inderdaad, in de allerlaatste regel diende een mens zich af te vragen of de schrijver in zijn “opzet” geslaagd was, en niet in zijn “opleg”. De schrijver in kwestie was immers niet aan het scheiden, diende zijn echtelijke woning niet in te kopen en had dus geen opleg van doen.
Naar goede gewoonte zet ik een column uit de oude doos op deze site. Deze komt uit de zomer-Verzin van 2016 met – jawel – columnschrijven als thema.

Ze waren van hetzelfde jaar. Godfried werd in maart geboren, Simon in oktober. De rol van oudere schrijversbroeder zou Godfried met verve spelen. Ter ere van Simons vijftigste verjaardag schreef hij: “Nu is het ook weer niet zo, dat ik héél veel beter ben. Ik ben dat wel, maar dat laat ik niet merken. Je moet nooit, zeg ik altijd, een mens ontmoedigen. Ik blijf vlák voor hem uitlopen, en dát houdt de vaart erin.”

Jarenlang was Godfried de meest gelezen schrijver van Nederland. Literaire erkenning bleef echter uit – de kritiek wist niet wat ze met zijn lichtvoetige stijl aan moest. Simon  worstelde daarmee. “Ik heb het feit dat men déze man nimmer een letterkundige prijs heeft gegeven zeer potsierlijk gevonden. Ja, Godfried is een groot schrijver, maar je mag het alleen niet zeggen, zegt men. Waar een klein literair wereldje klein in kan zijn.”

Simon schreef zijn dagelijks cursiefje thuis, op een bankje in het park, in de kroeg. Hij hield er een hardnekkig drankprobleem aan over. Daar wist Godfried wel weg mee. “Wat Simon in hoofdzaak beoefent is het cafébezoek. Hij brengt ons daar in kennis met wat melancholieke grijsaards en andere ondermijnde figuren die in hun reeds half geleegd glaasje tengere dingen zeggen waardoor het drankgebruik een dubbele bodem krijgt.”

Godfried had grote plannen voor allerhande boeken. Hij wilde een grote roman over de zee schrijven, een boek over beroemde sterfbedden, een Dickensbiografie. Het is bij plannen gebleven. “Het is waar wat Bertus  Aafjes over hem zei,” vertelde Simon later, “hij heeft een heel oeuvre ongeschreven gelaten.”

Ze waren elkaars bewonderaars. Godfried noemde Simon een grootmeester van de miniaturen en sloeg zijn boek Kroeglopen hoger aan dan 99 percent van de romans die de voorbije tien jaar waren geschreven. Simon noemde Godfried na diens overlijden een groot, onvervangbaar schrijver, wiens werk nog vele jaren door tallozen zal worden gelezen.

Ze leerden elkaar kort na de oorlog kennen. Simon schreef toneelrecensies in Het Parool. Godfried deed hetzelfde in De Volkskrant. Iemand vond het een heilzaam idee om de Amsterdamse toneelcritici in een kring te verenigen. Simon nam het thesaurierschap op zich. Elk lid werd geacht 2,5 gulden te storten. “En als de rijksdaalders binnen zijn, wat doet Carmiggelt dan met die penningen?” wilde Godfried eerst weten.

Bomans en Carmiggelt – aartsvaders van de column, buitengewone stilisten, vrienden.

Meer weten? Lees Beste Godfried, beste Simon. Simon Carmiggelt en Godfried Bomans aan en over elkaar (de Boekerij, 1999)

Eenzaamheid alfabetisch en de verfilming van mijn boek

Johanna Spaey is een mooi oeuvre aan het opbouwen. Dood van een soldaat, Vlucht, De eenzaamheid van het westen – boeken die u allang gelezen hoort te hebben.

Met Kleine encyclopedie van de eenzaamheid voegt ze daar een onmisbare titel aan toe. Geen roman ditmaal, wel een bundeling van vierhonderd alfabetisch gerangschikte lemma’s die telkens een ander facet van de eenzaamheid weerspiegelen. Daarbij veel aandacht voor boeken en auteurs, maar even goed lemma’s over Assepoester, Ikea en het kosmonautenhondje Laika:

Een van haar trainers neemt haar voor haar vertrek mee naar huis om met zijn kinderen te spelen. Een laatste keer; iets aardigs, net als die kus op haar neus voor ze de ruimte in wordt geschoten.

Muziek passeert regelmatig de revue. Een mooie beschouwing over Ruby van Kenny Rogers, over een man die verlamd van de oorlog terugkeert en zijn dagen roerloos in bed doorbrengt. Hij hoort zijn vrouw de voordeur achter zich dichtslaan – ze gaat op jacht naar een man die wél met haar kan dansen en vrijen – en zijn gedachten reiken naar het geweer waar zijn armen niet bij kunnen.

De mens is een fundamenteel eenzaam wezen. Voor de schrijfster van dit boek biedt dit inzicht niet alleen troost, het was ook de aanzet om er een betekenisvol boek over te schrijven dat op elke boekenplank thuishoort. De uitgave even zorgvuldig als het taalgebruik, de observaties scherper dan een cameralens.

Deze lezer heeft er alvast een plekje op ooghoogte voor gevonden. Op dagen dat de eenzaamheid te nadrukkelijk aanwezig is, hoeft hij zijn arm maar uit te strekken.

“De verfilming van mijn boek”, da’s natuurlijk platte click bait. Mijn boek wordt helemaal niet verfilmd. Wat wél een verfilming kreeg, is Marwencol, de schitterende documentaire waar Schaduw en vuur schatplichtig aan is. De documentaire vertelt het verhaal van Mark Hogancamp, een man die meedogenloos in elkaar werd getrapt en niet alleen zijn geheugen maar ook zijn fijne motoriek op het asfalt achterliet. Ik vertelde er eerder over in dit bericht, en zij die Schaduw en vuur hebben gelezen, weten intussen dat protagoniste Nora Ehlinger en Mark Hogancamp zielsverwanten zijn.

Wel, de man is intussen door Hollywood ontdekt. IMDB zette de eerste trailer deze week online. Steve Carrell vertolkt Hogancamp en dat lijkt me een prima keuze. Toch overtuigt de trailer me niet. Voor de Hogancamp uit de documentaire was het Ardens poppendorp een overlevingsstrategie, een manier om in het reine te komen met die gewelddadige avond die zijn leven abrupt op andere sporen zette. Dat zie ik niet in de trailer. Toen zijn werk in een New Yorks museum werd tentoongesteld, toonde de Hogancamp van de documentaire meer belangstelling voor de pumps van de bezoeksters dan voor zijn eigen foto’s – Hogancamp was een travestiet; het was de reden waarom hij in elkaar werd getrapt. Niets van dit alles in de trailer.

Regisseur Robert Zemeckis geeft zijn eigen draai aan het verhaal, een draai die honderdtachtig graden lijkt te verschillen van de mijne. Ik vrees dat hij er een feel good movie van gemaakt heeft, en bij een feel good movie voel ik me – nu ja – niet altijd even prettig.

Maar goed: trailers vertellen het hele verhaal niet. En reken maar van yes dat ik ga kijken.

weekberichten – Antigone, arbeidsvreugde en Annelies Verbeke

zaterdag 26 mei
Een jaar geleden werd ik van mijn sokken geblazen door een lezing van de Brits-Pakistaanse schrijfster Kamila Shamsie over schrijvers en hun engagement (ik berichtte er hier eerder over). Ik nam me toen voor om haar hele oeuvre te lezen en – in tegenstelling tot andere beloftes (die tweede marathon lopen, op tijd stoppen met bier op café) houdt deze aardig stand. Vandaag lees ik Home Fire uit, Shamshies hedendaagse bewerking van Sophocles’ Antigone. Zij die mijn vorige bericht hebben gelezen, weten dat ik nogal argwanend tegenover literaire grafschennis sta. Toch dien je die argwaan samen met mij te laten varen, je naar je favoriete boekhandel te begeven en dat boek te kopen – het werd intussen vertaald als Huis in brand. Je zal het je niet beklagen. Je zal van je sokken worden geblazen. Goed, door Antigone te vernoemen, heb ik een beetje de clou verklapt, maar laat dat je vooral niet tegenhouden. De spankracht van het boek is groter dan menig meertouw en het einde is een slag in je gezicht.

Intussen begonnen in Postbode van J. Robert Lennon, de man achter de fijne maar intussen ter ziele gegane schrijversblog Ward Six. Kan me helaas een pak minder bekoren.

maandag 28 mei
Over exact een maand stop ik bij de werkgever die me tweeëntwintig jaar geleden in dienst nam (toen ik net als Luc De Vos zaliger nog jong, mooi en intelligent was). Zij die het fijne willen weten van sociale woonkredieten en hoe dat zit met die nieuwe registratierechten, zullen zich dus moeten haasten, want op 28 juni trek ik die deur voorgoed achter me dicht. Buckle your seatbelts, Dorothy, ‘cause Brussels is going bye bye. Of Bontenakel dan voor het voltijds schrijverschap gaat? Vergeet het, daarvoor ontbreekt het me aan lef, verkoopcijfers en schnabbels in het lezingencircuit.

Sterker: ik hoef helemaal geen voltijds schrijver te worden! Ik heb intussen namelijk een nieuwe werkgever gevonden, in de gedaante van de voltallige raad van bestuur van de Scenaristengilde. Ik ben intussen twee maanden bij hen aan de slag (voor de aandachtige lezers onder jullie: noodgedwongen combineer ik de twee jobs tot mijn opzeg erop zit), en het bevalt me daar uitstekend. Op mijn eerste werkdag kreeg ik al meteen de eerste twee afleveringen van De Dag – de gijzelreeks van Jonas Geirnaert en Julie Mahieu – voorgeschoteld, en da’s natuurlijk torenhoog en mijlenbreed verwijderd van aflossingstabellen en kwaaie notarissen. Op een dag vind je de job van je leven, en dan ben je weg natuurlijk, om het met Suzanne van Interlabor Interim te zeggen. Wat zeg je? Tuurlijk is het deeltijds, er moet immers aan die volgende roman geschreven worden.

vrijdag 1 juni
Acteurscollectief Wunderbaum zakt vandaag met Daar gaan we weer (white male privilege) af naar het Antwerpse Zuiderpershuis. Ik daarheen, niet alleen omdat ikzelf wit, mannelijk en redelijk gepriviligeerd ben, maar omdat ik als Annelies Verbeke-fan niet alleen in haar romans en kortverhalen maar ook in haar toneelwerk ben geïnteresseerd. Ik neem samen met alle andere politiek-correcte denkers plaats in de tribune van een soort van circusarena, met drie acteurs die het in wisselende allianties tegen elkaar opnemen – de politiek-correcte controlefreak, de self-made woman die haar verpauperde verleden achter zich liet (net als Liesbeth – el sympatico – Homans maar daar houdt de vergelijking wel op), de witte, heteroseksuele man die zich geen schuldgevoel wil laten aanpraten. Alle drie worden ze in een soort van zoo-humain te kijk  gezet, en het woord ‘zoo’ staat daar allesbehalve toevallig.

De politiek-correcte vrouw en de heteroseksueel blijken onderling inwisselbaar met mensen uit mijn vriendenkring, en misschien zit er in het publiek wel een kennis die mij in één van de acteurs herkent. Verbeke ging tijdens het schrijven niet over één nacht ijs, ze zakte er samen met het collectief zelfs voor naar de Amerikaanse Bible Belt af, en die ervaring vond zijn weg naar het stuk. Het is een schop onder je politiek-correcte kont, het is ontnuchterend en hilarisch tegelijk, en het ontwikkelt zich tot een, nu ja, zoo-humain waar Stanley Kubrick himself trots op zou zijn. Wat een heerlijk einde is me dat. Komt dat zien, komt dat zien.

Alleen maar positief nieuws te melden dus. Excuses daarvoor. Volgende keer beter… heu, slechter.

Grafschenners – een VERZiN-column

De nieuwe VERZiN ligt alweer enkele weken in de rekken. Waarom plaatst Bontenakel op zijn site dan geen oude column of enige andere onzin? Goeie vraag. Een en ander heeft te maken met de manier waarop mijn leven op verrassende en hoogst aangename wijze een nieuwe wending nam. Maar daarover later meer. Eerst die oude column dus, uit VERZiN nr. 2/2016 (dossier: misdaadverhalen).

I don’t want to be buried in a Pet Sematary. I don’t want to live my life again.

Dat zingt wijlen Joey Ramone op de soundtrack van de gelijknamige horrorfilm, waarin een vader zijn verongelukte zoontje op een dierenkerkhof begraaft. Het jongetje staat op uit de doden, maar in plaats van met zijn favoriete knuffel te spelen, speelt de walking dead-kleuter voortaan met een scalpel. Zoonlief is zoonlief niet meer.

Iets anders nu. Reboots doen het al een poos goed in de cinemazalen. Wat voor het witte doek werkt, werkt misschien ook op gedrukt papier, moeten een aantal misdaaduitgever gedacht hebben. Personages werden opgedolven en nieuw leven ingeblazen, en de grafschenners van dienst zijn niet bepaald B-ploegauteurs. De Schot William Boyd reanimeerde 007, Michael Chabon haalde Sherlock Holmes uit zijn vriesslaap, en tachtig jaar nadat hij zijn entree in het misdaadgenre maakte, mocht privédetective Philip Marlowe dankzij John Banville opnieuw zijn hard-boiled zelve zijn.

I don’t mind if you don’t like my manners. They’re pretty bad. I grieve over them during the long winter evenings

– Philip Marlowe in The Big Sleep.

Hoe doe je dat, een iconisch personage weer tot leven wekken. Banville hield zich aan vijf stelregels. Eén, geen scheldwoorden, geen seks. Twee, geen Samsung Galaxy S6 in zijn vestzak. Marlowe hoort thuis in het L.A. van sigarettenreclames en Studebakers, niet in dat van crystal meth en Kardashian. Drie, spieken is uit den boze. Schrijvend aan zijn Marloweboek weigerde Banville het Raymond Chandler-oeuvre op zijn boekenplank te raadplegen. Vier, zet Marlowe neer zoals hij is: een dolende ridder uit de Arthurlegende in een denkbeeldig Camelot, introspectief, whiskydrinkend, vervuld van zelfhaat. Vijf, herlees The Great Gatsby, de roman die Chandler graag zelf had geschreven.
Tot zover het hoe.
Naar het waarom blijft het gissen.

Sommigen gaven Banvilles boek vijf sterren, anderen spraken van een noirpastiche die het niveau van de fanfictie niet overstijgt. Omdat ik het boek niet gelezen heb, laat ik die uitspraken voor wat ze zijn, maar ik blijf het wel een vreemd verschijnsel vinden, zo’n nieuw boek van een dode schrijver. Zie je het bij ons al gebeuren? Kristien Hemmerechts die Jef Geeraerts’ helden Vincke en Verstuyft met een vers lijk opzadelt? Dimitri Verhulst die Maigret appetijtelijk zijn godverdomse pijp laat smoren?

Misschien hebben ónze uitgevers wél naar Joey Ramone geluisterd.

(P.S.: anno 2018 zijn ze het nog steeds niet afgeleerd. Zo leverde thrillerauteur Jo Nesbø net zijn bewerking van Macbeth af. Recensent John Vervoort maakte er vandaag korte metten mee op de boekenbladzijden van De Standaard.)

 

de welgemeende fuck you van Twin Peaks, The Return (2)

Dat was buiten de regisseur gerekend. Lynch doet niet aan nostalgie. En de americana in zijn films is nergens prentbriefkaarten-americana. Bovendien zijn de tijden veranderd. In het Reagantijdperk van de jaren tachtig opende Blue Velvet nog met voortuintjes en rode rozen, waarna de camera gauw genoeg inzoomde op de mekaar verslindende insecten die zich in het gazon schuilhielden. Onder Trump is de teloorgang van de middenklasse een feit en is zelfs het vernislaagje verdwenen. Weg voortuintjes met rode rozen.

(vanaf hier is een kleine SPOILER ALERT op zijn plaats. ‘k Ga natuurlijk niet alles verklappen maar ‘k ga toch even over de oppervlakte scheren)

In het Twin Peaks van 2017 is de houtzagerij al jaren dicht, woont een groot deel van de inwoners – inbegrepen schooljuffrouwen – in een woonwagenpark, verkopen mensen hun bloed om brood op de plank te krijgen, worden kinderen voor de ogen van hun moeder doodgereden en loert wapengeweld om elke hoek. De RR Diner wordt opgeschrikt door een schot, gelost door een kind in een voorbijrijdende auto die met het pistool van zijn vader zat te spelen, Tim Roth en Jennifer Jason Leigh worden doorzeefd met kogels omdat ze voor iemands oprit staan geparkeerd.

Geen cherry pie voor diegenen die terug wilden naar het Twin Peaks van hun jeugd, want het stadje uit onze herinneringen bestaat niet meer, als het ooit heeft bestaan. In de hele serie zie je Norma en Shelly nauwelijks damn’ good coffee zien serveren. Het gros van de vaste cast wordt gereduceerd tot figuranten – hun verhaal was vijfentwintig jaar geleden al uitverteld. Audrey Horne mag haar sensueel dansje nog eens doen maar ontwaakt meteen daarna op een onbestemde plek en blijft daar achter. Of was het allemaal een droom en had ze die lege witte ruimte in feite nooit verlaten?

Op de terugkeer van Dale Cooper himself – en dan heb ik het over de FBI-agent die we in de eerste twee seizoenen leerden kennen – moeten we zestien afleveringen wachten, en als hij dan eindelijk opduikt, is hij ook meteen weer weg. Want wanneer hij er uiteindelijk toch in slaagt om Twin Peaks te bereiken, blijkt het stadje en haar inwoners onherkenbaar veranderd. Geen hoop, geen verlossing. Niet voor Dale Cooper, niet voor  Laura Palmer. Die ijselijke gil van haar – honderd procent onversneden doodsnood – resoneert door heel de serie.

Twin Peaks is een opgestoken middenvinger naar nostalgici geworden. Lynch gunt zijn fans geen fan service. Dit is per slot van rekening het Twin Peaks-universum, niet a galaxy far far away. En de stranger things in Lynchland zijn, nu ja, stranger dan in Stranger Things.

Wat een geniale smeerlap is die Lynch toch.

de welgemeende fuck you van Twin Peaks, The Return (1)

Hij heeft ons wéér te grazen genomen. Vijfentwintig jaar na de feiten heeft David Lynch ons weer serieus bij ons pietje. De smeerlap.

Achttien afleveringen waren het. Ik heb er een paar weken voor nodig gehad, want bingewatchen is er in dit universum – vol kolder maar gruwelijk als een Francis Bacon-doek – niet bij. En dan zie je het scherm zwart worden na de allerlaatste scène en zakt je mond weer helemaal open. Net zoals hij dat vijfentwintig jaar geleden had gedaan toen Dale Cooper die spiegel een kopstoot gaf en demonisch begon te lachen.

Ik was eerstejaarsstudent toen ze het eerste seizoen van Twin Peaks op het scherm loslieten, niet eens zóveel jonger dan de acteurs die in de serie debuteerden. Twin Peaks was een aha-erlebnis. In die tijd was er niets op tv. Niks! Je moest het stellen met MacGyver, Beverly Hills 90210 en de praatprogramma’s van Jan Van Rompaey. Geen wonder dus dat iedereen aan de buis zat gekluisterd zodra de muziek van Badalamenti begon te spelen. Ik herinner me nog hoe ik in de bibliotheek van Mortsel een moeder van drie aan de balie naar ‘et dagboek van Lauwra Pallemer hoorde vragen. Ik herinner het me omdat ik het boek van Jennifer Lynch (de dochter) gekocht en gelezen had. Om maar te zeggen dat ik fanboy van het eerste uur was, net zoals zovele Generation X’ers van toen, want zo noemden ze onze generatie in die tijd. Vraag dat maar aan Paul Mennes.

De seizoensfinale van seizoen twee eindigt met de grootste cliffhanger in tv-geschiedenis. Special agent Cooper raakt niet tijdig genoeg weg uit gordijnland en wordt bezeten door slechterik Bob. Roll credits. We stonden erbij en keken ernaar, van de hand Gods geslagen.  Daarmee viel het doek over Twin Peaks. Er kwam een film die een prequel bleek te zijn en dus geen Dale Coopers bevatte en kort nadien verknoeide Paul Verhoeven de carrière van fetisjacteur Kyle McLachlan door hem in Showgirls te casten.

Vijfentwintig jaar later maken we de gouden jaren van de televisie mee en gonst het internet van de opwinding wanneer David Lynch een nieuw seizoen van Twin Peaks aankondigt. In deze apocalyptische tijden van Trump, terrorisme en een opwarmende aarde snakt iedereen naar een beetje escapisme zo nu en dan, en was de wereld in onze jeugd niet onbezorgder, eenvoudiger en, welja, beter? Als Mulder en Scully weer in hun X-Files-archiefkast mogen en zelfs De Collega’s vanonder hun stofhoes worden gehaald, waarom dan niet ein-de-lijk verklappen hoe het met Dale Cooper is afgelopen? A slice of cherry pie and a damn’ fine cup of coffee! Steek die Oreokoekjes in je hol, Owen Wilson.

(wordt vervolgd)

Roger Van de Velde versus de geblinddoekte maagd (2)

Van de Veldes graf (Schoonselhof)

Recht op antwoord zorgde ervoor dat steeds meer mensen zich het lot van Van de Velde gingen aantrekken. Na een schrijverspetitie en een gesprek met de minister van Justitie werd hij in april 1970 vrijgelaten. Omdat hij in de cel lichamelijk maar niet psychisch was afgekickt zou hij zich in juni laten opnemen in een Amsterdamse kliniek om van het spul af te geraken. Zover is het echter nooit gekomen. Zijn hart begaf het tijdens een slemppartij. Op 30 mei 1970, op het terras van Brasserie André in de Antwerpse Statiestraat, stierf Roger Van de Velde.

Postuum verschenen de verhalenbundels Kaas met gaatjes en De dorpsveroveraar, en de novelle Tabula Rasa. De vergetelheid wenkte. Helemaal opgeslokt door de nevelen werd hij niet, onder meer dankzij de inspanningen die collega-auteur Erik Vlaminck zich getroostte om Van de Veldes nagedachtenis levend te houden. Niet alleen bekeerde hij op de SchrijversAcademie generaties aspirant-schrijvers tot Van de Velde-acoliet, hij nam ook het voorwoord bij het in 2001 heruitgegeven De knetterende schedels voor zijn rekening, én schreef een toneelstuk over de man. Van de Velde: j’aimerais mieux de bouche vous le dire ging in 2012 in première. Theatergezelschap Olympique Dramatique zette drie Roger Van de Veldes op de planken: de schrijver, de journalist en de toxicomaan.

A writer’s writer is jammer genoeg nog geen publisher’s writer, en daarom vindt u zijn oeuvre niet meer in de reguliere boekhandel. De twee boeken die sinds kort in mijn boekenkast resideren, kocht ik bij de antiquair. En dat is jammer. De tand des tijds heeft namelijk weinig vat op Van de Veldes puntige proza.

Zo is de novelle Tabula rasa een bijzonder geestige farce over een kapperszoon die droomt van een leven in de letteren. In volgend fragment wil hij indruk maken op zijn redactiemakkers van het literair tijdschrift waartoe hij zopas is toegetreden, en waagt hij zich voor het eerst aan geëngageerde poëzie:

Gedurende drie avonden zwoegde ik aan een progressief, strijdbaar gedicht over Biafra. Daelman had weliswaar geen opdracht gegeven maar ik wilde niet met lege handen op die redactievergadering verschijnen. De kwestie was met welke onthullende boodschap ik mij kon aanmelden zonder uit de toon te vallen in dat ondernemende gezelschap. Mijn lamentabel lyrisch Geschwärm met de stranden van Tahiti en de borsten van Mathilde was uiteraard ongeschikt. Aanvankelijk dacht ik aan Vietnam en een filippica tegen het wanbeleid van Johnson, maar die had in het Witte Huis al de plaats geruimd voor Nixon, en Nixon was nog niet in de mode. Van alle stenen des aanstoots leek Biafra mij per slot van rekening het dankbaarste materiaal. Rot van gruwelen en onrechtvaardigheid en in zijn afschuwelijke realiteit toch nog net abstract genoeg om speling te laten voor dichterlijke vrijheden.

Over twee jaar vieren we de vijftigste verjaardag van zijn hartfalen, en omdat veel mensen belang hechten aan zulke ronde getallen – uitgevershuizen niet in het minst – lijkt het me een koud kunstje om 2020 tot Roger van de Velde-jaar uit te roepen, en zijn complete back catalogue opnieuw op de markt te gooien. Met een nabeschouwing van Erik Vlaminck, bijvoorbeeld. En een herneming van zijn toneelstuk bij wijze van boekvoorstelling.

Zij die intussen met leven en werk van Roger Van de Velde willen kennismaken, kunnen terecht op zijn website: www.rogervandevelde.be. Naast enkele kortverhalen stelden de erven Van de Velde zijn pamflet Recht op antwoord integraal ter beschikking.

Waarvoor hulde.

Roger Van de Velde versus de geblinddoekte maagd (1)

Nog niet zo lang geleden schreef ik over John Williams en Richard Yates. Beide schrijvers ontbeerden de lezersaantallen die ze verdienden, beiden stonden ze bekend als a writer’s writer, wat zoveel wil zeggen als: “ik mag het respect van mijn collega’s dan wel op zak hebben, mijn boeken raak ik aan de straatstenen niet kwijt.” Het miskende schrijverschap is natuurlijk geen louter Amerikaans fenomeen. Ook in ons taalgebied zijn er talloze oeuvres in de vergeetput beland. Dat van Roger Van de Velde bijvoorbeeld. Kent u deze schrijver? Zo nee, trek het u niet aan, de man is immers a writer’s writer (zie hierboven). Zo ja, dan bent u oftewel zélf een schrijver oftewel iemand die langdurig met een zekere Erik Vlaminck in contact bent geweest.

Voor zij die het mochten appreciëren, een kennismaking:

Roger Van de Velde (°1925) leek aanvankelijk onder een gunstig gesternte geboren. Willem Elsschot sprak zich positief uit over zijn eerste schrijfsels en nog vóór zijn drieëntwintigste was hij niet alleen getrouwd én vader geworden, maar kon hij ook aan de slag als journalist bij De Nieuwe Gazet. Op dezelfde leeftijd kreeg hij echter met maagproblemen af te rekenen, en het was dit vermaledijde verteringsorgaan dat hem zou opzadelen met een alcoholprobleem en – alsof dat niet genoeg is – met  een joekel van een Palfiumverslaving. Toen deze pijnstiller op de lijst met narcotica terechtkwam, en dus niet meer zonder voorschrift te verkrijgen was, was het al te laat voor Van de Velde. Hij was hopeloos verknocht aan het goedje. Om in zijn behoeften te voorzien, begon hij met doktersvoorschriften te knoeien en liep tijdens een politiecontrole tegen de lamp. Zijn advocaat pleitte ontoerekeningsvatbaarheid. Had de man beter niet gedaan. Het psychiatrisch onderzoek dat daaruit voortvloeide, duurde welgeteld vijfentwintig minuten.

Er kwam wat klassiek klop- en luisterwerk aan te pas met het hamertje en de stethoscoop; mijn curriculum vitae, inclusief de onvermijdelijke kinderziekten en de al even onafwendbare schoolrapporten, werd in vogelvlucht overschouwd; er werd onbescheiden navraag gedaan betreffende mogelijke gevallen van uitgesproken idiotie onder mijn levende en reeds overleden familieleden tot in de derde graad; en nadat ik nog even mijn broek had laten zakken, was de vertoning compleet .
(uit Recht op antwoord)

De psychiater bestempelde Van de Velde als zwaar karaktergestoord en hij werd geïnterneerd. Van de acht jaar die hem nog gegund waren, vertoefde hij er zes in “het mensenreservaat” zoals hij het zelf placht te noemen. Van de weeromstuit begon Van de Velde te schrijven. Omdat gedetineerden niet verondersteld worden te publiceren, schakelde hij zijn echtgenote in om zijn teksten tot bij de uitgever te krijgen.

Dat ik het handschrift van een onschuldig boek, in wekelijkse afleveringen verborgen tussen mijn ondergoed, naar de bezoekzaal heb moeten smokkelen, waar mijn vrouw het op haar beurt met de daver op het lijf tussen haar kleren moest wegmoffelen.
(uit Recht op antwoord)

 Hij debuteerde met Galgenaas in 1966. Zijn debuut bundelde zestien verhalen die zich stuk voor stuk in de gevangenis afspeelden. In 1969 volgden de bundel De knetterende schedels en Recht op antwoord, een pamflet waarin hij te keer ging tegen Vrouwe Justitia.

Veel meer ter zake bevoegde juristen en ook naar rechtvaardigheid hunkerende literatoren hebben herhaaldelijk wraakroepende wantoestanden aangeklaagd om na verloop van tijd doorgaans ontmoedigd tot de vaststelling te komen dat die geblinddoekte en kennelijk frigide maagd met haar slecht geijkte balans geen spier op haar marmeren gelaat vertrekt als men haar nijdig tegen de marmeren schenen schopt.
(uit Recht op antwoord)

 

(wordt vervolgd)

Theofiel & Henry, een VERZiN-column

De nieuwe VERZiN ligt in de rekken as we speak. Dat betekent dat ik jullie weer mag trakteren op een column uit de oude doos. Theofiel & Henry is afkomstig uit het eerste nummer van 2016 (dossier: performen) en valt op deze eerste zonnige dag van het jaar bij voorkeur te savoureren in zacht januarilicht.

Boekenbeurs bij valavond. Een debuterende schrijfster vertelt over de literaire avond waaraan ze mee gestalte heeft mogen geven. Net afgestudeerd aan de SchrijversAcademie was het haar eerste keer achter de microfoon (als we haar boekvoorstelling even buiten beschouwing laten). Achteraf raakte ze aan de praat met een aanwezige auteur – een schrijver met naam en faam en tonnen podiumervaring. Hij vroeg haar waarom de Academie geen module woordkunst in haar lessenpakket had opgenomen. Meteen wist de schrijfster dat het niet goed was geweest, dat optreden van haar.

Ooit woonde ik een spoken word van Henry Rollins bij. De voormalige frontman van hardcorepunkband Black Flag zette een flesje water op een kruk, nam de microfoon in een houdgreep en stak van wal. Anderhalf uur lang hing het publiek aan zijn lippen. Rollins nam een daverend applaus in ontvangst en verdween met het ongeopende flesje water in de coulissen. Hoe graag ik het soms zou willen, ik ben bepaald geen Henry Rollins (zie foto) – het ontbreekt me aan eruditie, tatoeages en podiumprésence. Ik heb moeite om mijn publiek in de ogen te kijken, verlies de draad van mijn verhaal en mijn stem hapert als een Fyratrein. Optreden is voor mij geen improvisatieoefening, het vergt grondige voorbereiding. Toen ik Lies Van Gasses laatste boek mocht helpen voorstellen, leerde ik mijn tekst voor de spiegel uit het hoofd. Dat hielp. Ik ging niet af als een gieter en kreeg zowaar een lacher of twee op de hand.

Dichter Jess De Gruyter bij de voorstelling van zijn laatste bundel: “Zoals elke vertegenwoordiger weet, moet je een performer zijn om goed te verkopen, alleen ben ik niet geboren om  op een podium te staan.”
Ik ben dus lang niet de enige.

De alomtegenwoordigheid van Maud Vanhauwaert (n.v.d.r.: ze was nog geen stadsdichter toen ik dit schreef) en andere slam poetry-finalisten bevestigen het: de tijden waarin je J.D. Salingergewijs de schrijver-kluizenaar kunt uithangen, zijn voorbij. Als je wilt dat je boek gelezen wordt, moet je de hort op. Bij elk nieuw boek tekeer gaan tegen “Het Literaire Wereldje” zoals [mxp] dat doet, hipstervragenrondes doorstaan op de literaire salons van Das Mag, of – als je hoerenchance hebt –  bij Mattijs van Nieuwkerk op schoot.

Het boek schrijven doe je in de rust en afzondering van de zolderkamer of het Baltische schrijfverblijf, maar zodra je die pen hebt neergelegd, moet je de pet van de kleine zelfstandige opzetten. Kleine percentjes, rijke ventjes.
Elke schrijver een Theofiel Boemerang.

 

John Williams: de man die de perfecte roman schreef

Ach, het leven, wat een amateuristische voorstelling.
– John Williams

In De man die de perfecte roman schreef borstelt Charles J. Shields een voornamelijk literair portret van de schrijver van Butcher’s Crossing, Stoner en Augustus. Shields is daarmee niet aan zijn proefstuk toe: eerder portretteerde hij Harper Lee en Kurt Vonnegut. Bezoekers van deze site zullen nauwelijks verbaasd zijn als ik zeg dat ik de Vonnegutbiografie intussen 3 x gelezen heb. Ook die van John Williams komt vroeg of laat opnieuw op de leesstapel, niet alleen omdat hij bijzonder lezenswaardig is, maar omdat het voor een schrijver duivels interessant blijft om te zien hoe collega’s het klaarspelen: dat leven en dat schrijven combineren.

Geen sinecure voor John Williams, zo blijkt. De man stelde zijn leven ten dienste van de literatuur, maar erkenning viel hem niet of nauwelijks te beurt. Het begon al bij uitgeverij MacMillan, die de fout beging een westerntafereel op de cover van Butcher’s Crossing te plaatsen, waardoor het boek verkeerdelijk als western – en Williams als westernschrijver – werd bestempeld en een vernietigende recensie in The NY Times kreeg (“Het verhaal wikkelt zich af zoals een slak zich door een vijver met stroop beweegt”). Gevolg: het boek verkocht nauwelijks en een auteursbeurs werd afgewezen.

Leven van de pen zat er voor Williams niet in: de man zou zijn leven lang professor blijven aan de universiteit van Denver. Denk overigens niet dat zijn academische vrienden om zijn boeken maalden. Toen hij bij het verschijnen van Stoner piekfijn uitgedost in de kamer van de vakgroep Engels plaatsnam en daar de dag al rokend en koffiedrinkend doorbracht, was het aantal docenten dat hem kwam feliciteren op één hand te tellen. En ondanks zijn staat van dienst werd zijn verzoek om minder uren te doceren, zodat hij op gevorderde leeftijd meer tijd aan zijn schrijftafel kon doorbrengen, door de universiteit geweigerd.

Hoewel hun proza torenhoog en mijlenbreed van elkaar verschilt, vertonen de levens van Kurt Vonnegut en John Williams opvallende gelijkenissen. Beiden onderhielden ze moeizame relaties met de vrouwen in hun leven, beiden doceerden ze creatief schrijven, beiden waren ze verslingerd aan een goed glas, bij beiden loerde de verbittering om de hoek, en, last but not least: beiden waren notoire kettingrokers – Williams zou op 72-jarige leeftijd aan longproblemen overlijden. Het grote verschil tussen de Amerikaanse auteurs was dat Vonnegut nog leefde toen hij met Slaughterhouse-Five doorbrak bij het grote publiek, terwijl Williams al geruime tijd onder de zoden lag voor hij aan de beurt kwam.

Over miskende schrijvers gesproken: op pagina 296 wandelt Richard Yates het boek binnen, volgens Esquire toen “de minst beroemde grote schrijver”. Omdat zijn reputatie hem voorging, werd hij bij zijn bezoek onder toezicht van een oud-student gesteld, die het volgende over hem vertelde: “… over elke schrijver die ik noemde, had Yates een grove, laatdunkende anekdote over de persoonlijke kleine zondes te melden, die altijd werd voorafgegaan door die schelle kreet – ‘Há!’ Helaas was de heer Yates in Denver weer volledig aan de drank.” Shields zou aan Yates een vette kluif hebben gehad, ware het niet dat Blake Bailey reeds op dat idee was gekomen.

John Williams: de man die de perfecte roman schreef was het laatste boek dat ik in 2017 uitlas. Laat het het eerste boek zijn dat u in 2018 openslaat.