Grafschenners – een VERZiN-column

De nieuwe VERZiN ligt alweer enkele weken in de rekken. Waarom plaatst Bontenakel op zijn site dan geen oude column of enige andere onzin? Goeie vraag. Een en ander heeft te maken met de manier waarop mijn leven op verrassende en hoogst aangename wijze een nieuwe wending nam. Maar daarover later meer. Eerst die oude column dus, uit VERZiN nr. 2/2016 (dossier: misdaadverhalen).

I don’t want to be buried in a Pet Sematary. I don’t want to live my life again.

Dat zingt wijlen Joey Ramone op de soundtrack van de gelijknamige horrorfilm, waarin een vader zijn verongelukte zoontje op een dierenkerkhof begraaft. Het jongetje staat op uit de doden, maar in plaats van met zijn favoriete knuffel te spelen, speelt de walking dead-kleuter voortaan met een scalpel. Zoonlief is zoonlief niet meer.

Iets anders nu. Reboots doen het al een poos goed in de cinemazalen. Wat voor het witte doek werkt, werkt misschien ook op gedrukt papier, moeten een aantal misdaaduitgever gedacht hebben. Personages werden opgedolven en nieuw leven ingeblazen, en de grafschenners van dienst zijn niet bepaald B-ploegauteurs. De Schot William Boyd reanimeerde 007, Michael Chabon haalde Sherlock Holmes uit zijn vriesslaap, en tachtig jaar nadat hij zijn entree in het misdaadgenre maakte, mocht privédetective Philip Marlowe dankzij John Banville opnieuw zijn hard-boiled zelve zijn.

I don’t mind if you don’t like my manners. They’re pretty bad. I grieve over them during the long winter evenings

– Philip Marlowe in The Big Sleep.

Hoe doe je dat, een iconisch personage weer tot leven wekken. Banville hield zich aan vijf stelregels. Eén, geen scheldwoorden, geen seks. Twee, geen Samsung Galaxy S6 in zijn vestzak. Marlowe hoort thuis in het L.A. van sigarettenreclames en Studebakers, niet in dat van crystal meth en Kardashian. Drie, spieken is uit den boze. Schrijvend aan zijn Marloweboek weigerde Banville het Raymond Chandler-oeuvre op zijn boekenplank te raadplegen. Vier, zet Marlowe neer zoals hij is: een dolende ridder uit de Arthurlegende in een denkbeeldig Camelot, introspectief, whiskydrinkend, vervuld van zelfhaat. Vijf, herlees The Great Gatsby, de roman die Chandler graag zelf had geschreven.
Tot zover het hoe.
Naar het waarom blijft het gissen.

Sommigen gaven Banvilles boek vijf sterren, anderen spraken van een noirpastiche die het niveau van de fanfictie niet overstijgt. Omdat ik het boek niet gelezen heb, laat ik die uitspraken voor wat ze zijn, maar ik blijf het wel een vreemd verschijnsel vinden, zo’n nieuw boek van een dode schrijver. Zie je het bij ons al gebeuren? Kristien Hemmerechts die Jef Geeraerts’ helden Vincke en Verstuyft met een vers lijk opzadelt? Dimitri Verhulst die Maigret appetijtelijk zijn godverdomse pijp laat smoren?

Misschien hebben ónze uitgevers wél naar Joey Ramone geluisterd.

(P.S.: anno 2018 zijn ze het nog steeds niet afgeleerd. Zo leverde thrillerauteur Jo Nesbø net zijn bewerking van Macbeth af. Recensent John Vervoort maakte er vandaag korte metten mee op de boekenbladzijden van De Standaard.)

 

de welgemeende fuck you van Twin Peaks, The Return (2)

Dat was buiten de regisseur gerekend. Lynch doet niet aan nostalgie. En de americana in zijn films is nergens prentbriefkaarten-americana. Bovendien zijn de tijden veranderd. In het Reagantijdperk van de jaren tachtig opende Blue Velvet nog met voortuintjes en rode rozen, waarna de camera gauw genoeg inzoomde op de mekaar verslindende insecten die zich in het gazon schuilhielden. Onder Trump is de teloorgang van de middenklasse een feit en is zelfs het vernislaagje verdwenen. Weg voortuintjes met rode rozen.

(vanaf hier is een kleine SPOILER ALERT op zijn plaats. ‘k Ga natuurlijk niet alles verklappen maar ‘k ga toch even over de oppervlakte scheren)

In het Twin Peaks van 2017 is de houtzagerij al jaren dicht, woont een groot deel van de inwoners – inbegrepen schooljuffrouwen – in een woonwagenpark, verkopen mensen hun bloed om brood op de plank te krijgen, worden kinderen voor de ogen van hun moeder doodgereden en loert wapengeweld om elke hoek. De RR Diner wordt opgeschrikt door een schot, gelost door een kind in een voorbijrijdende auto die met het pistool van zijn vader zat te spelen, Tim Roth en Jennifer Jason Leigh worden doorzeefd met kogels omdat ze voor iemands oprit staan geparkeerd.

Geen cherry pie voor diegenen die terug wilden naar het Twin Peaks van hun jeugd, want het stadje uit onze herinneringen bestaat niet meer, als het ooit heeft bestaan. In de hele serie zie je Norma en Shelly nauwelijks damn’ good coffee zien serveren. Het gros van de vaste cast wordt gereduceerd tot figuranten – hun verhaal was vijfentwintig jaar geleden al uitverteld. Audrey Horne mag haar sensueel dansje nog eens doen maar ontwaakt meteen daarna op een onbestemde plek en blijft daar achter. Of was het allemaal een droom en had ze die lege witte ruimte in feite nooit verlaten?

Op de terugkeer van Dale Cooper himself – en dan heb ik het over de FBI-agent die we in de eerste twee seizoenen leerden kennen – moeten we zestien afleveringen wachten, en als hij dan eindelijk opduikt, is hij ook meteen weer weg. Want wanneer hij er uiteindelijk toch in slaagt om Twin Peaks te bereiken, blijkt het stadje en haar inwoners onherkenbaar veranderd. Geen hoop, geen verlossing. Niet voor Dale Cooper, niet voor  Laura Palmer. Die ijselijke gil van haar – honderd procent onversneden doodsnood – resoneert door heel de serie.

Twin Peaks is een opgestoken middenvinger naar nostalgici geworden. Lynch gunt zijn fans geen fan service. Dit is per slot van rekening het Twin Peaks-universum, niet a galaxy far far away. En de stranger things in Lynchland zijn, nu ja, stranger dan in Stranger Things.

Wat een geniale smeerlap is die Lynch toch.

de welgemeende fuck you van Twin Peaks, The Return (1)

Hij heeft ons wéér te grazen genomen. Vijfentwintig jaar na de feiten heeft David Lynch ons weer serieus bij ons pietje. De smeerlap.

Achttien afleveringen waren het. Ik heb er een paar weken voor nodig gehad, want bingewatchen is er in dit universum – vol kolder maar gruwelijk als een Francis Bacon-doek – niet bij. En dan zie je het scherm zwart worden na de allerlaatste scène en zakt je mond weer helemaal open. Net zoals hij dat vijfentwintig jaar geleden had gedaan toen Dale Cooper die spiegel een kopstoot gaf en demonisch begon te lachen.

Ik was eerstejaarsstudent toen ze het eerste seizoen van Twin Peaks op het scherm loslieten, niet eens zóveel jonger dan de acteurs die in de serie debuteerden. Twin Peaks was een aha-erlebnis. In die tijd was er niets op tv. Niks! Je moest het stellen met MacGyver, Beverly Hills 90210 en de praatprogramma’s van Jan Van Rompaey. Geen wonder dus dat iedereen aan de buis zat gekluisterd zodra de muziek van Badalamenti begon te spelen. Ik herinner me nog hoe ik in de bibliotheek van Mortsel een moeder van drie aan de balie naar ‘et dagboek van Lauwra Pallemer hoorde vragen. Ik herinner het me omdat ik het boek van Jennifer Lynch (de dochter) gekocht en gelezen had. Om maar te zeggen dat ik fanboy van het eerste uur was, net zoals zovele Generation X’ers van toen, want zo noemden ze onze generatie in die tijd. Vraag dat maar aan Paul Mennes.

De seizoensfinale van seizoen twee eindigt met de grootste cliffhanger in tv-geschiedenis. Special agent Cooper raakt niet tijdig genoeg weg uit gordijnland en wordt bezeten door slechterik Bob. Roll credits. We stonden erbij en keken ernaar, van de hand Gods geslagen.  Daarmee viel het doek over Twin Peaks. Er kwam een film die een prequel bleek te zijn en dus geen Dale Coopers bevatte en kort nadien verknoeide Paul Verhoeven de carrière van fetisjacteur Kyle McLachlan door hem in Showgirls te casten.

Vijfentwintig jaar later maken we de gouden jaren van de televisie mee en gonst het internet van de opwinding wanneer David Lynch een nieuw seizoen van Twin Peaks aankondigt. In deze apocalyptische tijden van Trump, terrorisme en een opwarmende aarde snakt iedereen naar een beetje escapisme zo nu en dan, en was de wereld in onze jeugd niet onbezorgder, eenvoudiger en, welja, beter? Als Mulder en Scully weer in hun X-Files-archiefkast mogen en zelfs De Collega’s vanonder hun stofhoes worden gehaald, waarom dan niet ein-de-lijk verklappen hoe het met Dale Cooper is afgelopen? A slice of cherry pie and a damn’ fine cup of coffee! Steek die Oreokoekjes in je hol, Owen Wilson.

(wordt vervolgd)

Roger Van de Velde versus de geblinddoekte maagd (2)

Van de Veldes graf (Schoonselhof)

Recht op antwoord zorgde ervoor dat steeds meer mensen zich het lot van Van de Velde gingen aantrekken. Na een schrijverspetitie en een gesprek met de minister van Justitie werd hij in april 1970 vrijgelaten. Omdat hij in de cel lichamelijk maar niet psychisch was afgekickt zou hij zich in juni laten opnemen in een Amsterdamse kliniek om van het spul af te geraken. Zover is het echter nooit gekomen. Zijn hart begaf het tijdens een slemppartij. Op 30 mei 1970, op het terras van Brasserie André in de Antwerpse Statiestraat, stierf Roger Van de Velde.

Postuum verschenen de verhalenbundels Kaas met gaatjes en De dorpsveroveraar, en de novelle Tabula Rasa. De vergetelheid wenkte. Helemaal opgeslokt door de nevelen werd hij niet, onder meer dankzij de inspanningen die collega-auteur Erik Vlaminck zich getroostte om Van de Veldes nagedachtenis levend te houden. Niet alleen bekeerde hij op de SchrijversAcademie generaties aspirant-schrijvers tot Van de Velde-acoliet, hij nam ook het voorwoord bij het in 2001 heruitgegeven De knetterende schedels voor zijn rekening, én schreef een toneelstuk over de man. Van de Velde: j’aimerais mieux de bouche vous le dire ging in 2012 in première. Theatergezelschap Olympique Dramatique zette drie Roger Van de Veldes op de planken: de schrijver, de journalist en de toxicomaan.

A writer’s writer is jammer genoeg nog geen publisher’s writer, en daarom vindt u zijn oeuvre niet meer in de reguliere boekhandel. De twee boeken die sinds kort in mijn boekenkast resideren, kocht ik bij de antiquair. En dat is jammer. De tand des tijds heeft namelijk weinig vat op Van de Veldes puntige proza.

Zo is de novelle Tabula rasa een bijzonder geestige farce over een kapperszoon die droomt van een leven in de letteren. In volgend fragment wil hij indruk maken op zijn redactiemakkers van het literair tijdschrift waartoe hij zopas is toegetreden, en waagt hij zich voor het eerst aan geëngageerde poëzie:

Gedurende drie avonden zwoegde ik aan een progressief, strijdbaar gedicht over Biafra. Daelman had weliswaar geen opdracht gegeven maar ik wilde niet met lege handen op die redactievergadering verschijnen. De kwestie was met welke onthullende boodschap ik mij kon aanmelden zonder uit de toon te vallen in dat ondernemende gezelschap. Mijn lamentabel lyrisch Geschwärm met de stranden van Tahiti en de borsten van Mathilde was uiteraard ongeschikt. Aanvankelijk dacht ik aan Vietnam en een filippica tegen het wanbeleid van Johnson, maar die had in het Witte Huis al de plaats geruimd voor Nixon, en Nixon was nog niet in de mode. Van alle stenen des aanstoots leek Biafra mij per slot van rekening het dankbaarste materiaal. Rot van gruwelen en onrechtvaardigheid en in zijn afschuwelijke realiteit toch nog net abstract genoeg om speling te laten voor dichterlijke vrijheden.

Over twee jaar vieren we de vijftigste verjaardag van zijn hartfalen, en omdat veel mensen belang hechten aan zulke ronde getallen – uitgevershuizen niet in het minst – lijkt het me een koud kunstje om 2020 tot Roger van de Velde-jaar uit te roepen, en zijn complete back catalogue opnieuw op de markt te gooien. Met een nabeschouwing van Erik Vlaminck, bijvoorbeeld. En een herneming van zijn toneelstuk bij wijze van boekvoorstelling.

Zij die intussen met leven en werk van Roger Van de Velde willen kennismaken, kunnen terecht op zijn website: www.rogervandevelde.be. Naast enkele kortverhalen stelden de erven Van de Velde zijn pamflet Recht op antwoord integraal ter beschikking.

Waarvoor hulde.

Roger Van de Velde versus de geblinddoekte maagd (1)

Nog niet zo lang geleden schreef ik over John Williams en Richard Yates. Beide schrijvers ontbeerden de lezersaantallen die ze verdienden, beiden stonden ze bekend als a writer’s writer, wat zoveel wil zeggen als: “ik mag het respect van mijn collega’s dan wel op zak hebben, mijn boeken raak ik aan de straatstenen niet kwijt.” Het miskende schrijverschap is natuurlijk geen louter Amerikaans fenomeen. Ook in ons taalgebied zijn er talloze oeuvres in de vergeetput beland. Dat van Roger Van de Velde bijvoorbeeld. Kent u deze schrijver? Zo nee, trek het u niet aan, de man is immers a writer’s writer (zie hierboven). Zo ja, dan bent u oftewel zélf een schrijver oftewel iemand die langdurig met een zekere Erik Vlaminck in contact bent geweest.

Voor zij die het mochten appreciëren, een kennismaking:

Roger Van de Velde (°1925) leek aanvankelijk onder een gunstig gesternte geboren. Willem Elsschot sprak zich positief uit over zijn eerste schrijfsels en nog vóór zijn drieëntwintigste was hij niet alleen getrouwd én vader geworden, maar kon hij ook aan de slag als journalist bij De Nieuwe Gazet. Op dezelfde leeftijd kreeg hij echter met maagproblemen af te rekenen, en het was dit vermaledijde verteringsorgaan dat hem zou opzadelen met een alcoholprobleem en – alsof dat niet genoeg is – met  een joekel van een Palfiumverslaving. Toen deze pijnstiller op de lijst met narcotica terechtkwam, en dus niet meer zonder voorschrift te verkrijgen was, was het al te laat voor Van de Velde. Hij was hopeloos verknocht aan het goedje. Om in zijn behoeften te voorzien, begon hij met doktersvoorschriften te knoeien en liep tijdens een politiecontrole tegen de lamp. Zijn advocaat pleitte ontoerekeningsvatbaarheid. Had de man beter niet gedaan. Het psychiatrisch onderzoek dat daaruit voortvloeide, duurde welgeteld vijfentwintig minuten.

Er kwam wat klassiek klop- en luisterwerk aan te pas met het hamertje en de stethoscoop; mijn curriculum vitae, inclusief de onvermijdelijke kinderziekten en de al even onafwendbare schoolrapporten, werd in vogelvlucht overschouwd; er werd onbescheiden navraag gedaan betreffende mogelijke gevallen van uitgesproken idiotie onder mijn levende en reeds overleden familieleden tot in de derde graad; en nadat ik nog even mijn broek had laten zakken, was de vertoning compleet .
(uit Recht op antwoord)

De psychiater bestempelde Van de Velde als zwaar karaktergestoord en hij werd geïnterneerd. Van de acht jaar die hem nog gegund waren, vertoefde hij er zes in “het mensenreservaat” zoals hij het zelf placht te noemen. Van de weeromstuit begon Van de Velde te schrijven. Omdat gedetineerden niet verondersteld worden te publiceren, schakelde hij zijn echtgenote in om zijn teksten tot bij de uitgever te krijgen.

Dat ik het handschrift van een onschuldig boek, in wekelijkse afleveringen verborgen tussen mijn ondergoed, naar de bezoekzaal heb moeten smokkelen, waar mijn vrouw het op haar beurt met de daver op het lijf tussen haar kleren moest wegmoffelen.
(uit Recht op antwoord)

 Hij debuteerde met Galgenaas in 1966. Zijn debuut bundelde zestien verhalen die zich stuk voor stuk in de gevangenis afspeelden. In 1969 volgden de bundel De knetterende schedels en Recht op antwoord, een pamflet waarin hij te keer ging tegen Vrouwe Justitia.

Veel meer ter zake bevoegde juristen en ook naar rechtvaardigheid hunkerende literatoren hebben herhaaldelijk wraakroepende wantoestanden aangeklaagd om na verloop van tijd doorgaans ontmoedigd tot de vaststelling te komen dat die geblinddoekte en kennelijk frigide maagd met haar slecht geijkte balans geen spier op haar marmeren gelaat vertrekt als men haar nijdig tegen de marmeren schenen schopt.
(uit Recht op antwoord)

 

(wordt vervolgd)

Theofiel & Henry, een VERZiN-column

De nieuwe VERZiN ligt in de rekken as we speak. Dat betekent dat ik jullie weer mag trakteren op een column uit de oude doos. Theofiel & Henry is afkomstig uit het eerste nummer van 2016 (dossier: performen) en valt op deze eerste zonnige dag van het jaar bij voorkeur te savoureren in zacht januarilicht.

Boekenbeurs bij valavond. Een debuterende schrijfster vertelt over de literaire avond waaraan ze mee gestalte heeft mogen geven. Net afgestudeerd aan de SchrijversAcademie was het haar eerste keer achter de microfoon (als we haar boekvoorstelling even buiten beschouwing laten). Achteraf raakte ze aan de praat met een aanwezige auteur – een schrijver met naam en faam en tonnen podiumervaring. Hij vroeg haar waarom de Academie geen module woordkunst in haar lessenpakket had opgenomen. Meteen wist de schrijfster dat het niet goed was geweest, dat optreden van haar.

Ooit woonde ik een spoken word van Henry Rollins bij. De voormalige frontman van hardcorepunkband Black Flag zette een flesje water op een kruk, nam de microfoon in een houdgreep en stak van wal. Anderhalf uur lang hing het publiek aan zijn lippen. Rollins nam een daverend applaus in ontvangst en verdween met het ongeopende flesje water in de coulissen. Hoe graag ik het soms zou willen, ik ben bepaald geen Henry Rollins (zie foto) – het ontbreekt me aan eruditie, tatoeages en podiumprésence. Ik heb moeite om mijn publiek in de ogen te kijken, verlies de draad van mijn verhaal en mijn stem hapert als een Fyratrein. Optreden is voor mij geen improvisatieoefening, het vergt grondige voorbereiding. Toen ik Lies Van Gasses laatste boek mocht helpen voorstellen, leerde ik mijn tekst voor de spiegel uit het hoofd. Dat hielp. Ik ging niet af als een gieter en kreeg zowaar een lacher of twee op de hand.

Dichter Jess De Gruyter bij de voorstelling van zijn laatste bundel: “Zoals elke vertegenwoordiger weet, moet je een performer zijn om goed te verkopen, alleen ben ik niet geboren om  op een podium te staan.”
Ik ben dus lang niet de enige.

De alomtegenwoordigheid van Maud Vanhauwaert (n.v.d.r.: ze was nog geen stadsdichter toen ik dit schreef) en andere slam poetry-finalisten bevestigen het: de tijden waarin je J.D. Salingergewijs de schrijver-kluizenaar kunt uithangen, zijn voorbij. Als je wilt dat je boek gelezen wordt, moet je de hort op. Bij elk nieuw boek tekeer gaan tegen “Het Literaire Wereldje” zoals [mxp] dat doet, hipstervragenrondes doorstaan op de literaire salons van Das Mag, of – als je hoerenchance hebt –  bij Mattijs van Nieuwkerk op schoot.

Het boek schrijven doe je in de rust en afzondering van de zolderkamer of het Baltische schrijfverblijf, maar zodra je die pen hebt neergelegd, moet je de pet van de kleine zelfstandige opzetten. Kleine percentjes, rijke ventjes.
Elke schrijver een Theofiel Boemerang.

 

John Williams: de man die de perfecte roman schreef

Ach, het leven, wat een amateuristische voorstelling.
– John Williams

In De man die de perfecte roman schreef borstelt Charles J. Shields een voornamelijk literair portret van de schrijver van Butcher’s Crossing, Stoner en Augustus. Shields is daarmee niet aan zijn proefstuk toe: eerder portretteerde hij Harper Lee en Kurt Vonnegut. Bezoekers van deze site zullen nauwelijks verbaasd zijn als ik zeg dat ik de Vonnegutbiografie intussen 3 x gelezen heb. Ook die van John Williams komt vroeg of laat opnieuw op de leesstapel, niet alleen omdat hij bijzonder lezenswaardig is, maar omdat het voor een schrijver duivels interessant blijft om te zien hoe collega’s het klaarspelen: dat leven en dat schrijven combineren.

Geen sinecure voor John Williams, zo blijkt. De man stelde zijn leven ten dienste van de literatuur, maar erkenning viel hem niet of nauwelijks te beurt. Het begon al bij uitgeverij MacMillan, die de fout beging een westerntafereel op de cover van Butcher’s Crossing te plaatsen, waardoor het boek verkeerdelijk als western – en Williams als westernschrijver – werd bestempeld en een vernietigende recensie in The NY Times kreeg (“Het verhaal wikkelt zich af zoals een slak zich door een vijver met stroop beweegt”). Gevolg: het boek verkocht nauwelijks en een auteursbeurs werd afgewezen.

Leven van de pen zat er voor Williams niet in: de man zou zijn leven lang professor blijven aan de universiteit van Denver. Denk overigens niet dat zijn academische vrienden om zijn boeken maalden. Toen hij bij het verschijnen van Stoner piekfijn uitgedost in de kamer van de vakgroep Engels plaatsnam en daar de dag al rokend en koffiedrinkend doorbracht, was het aantal docenten dat hem kwam feliciteren op één hand te tellen. En ondanks zijn staat van dienst werd zijn verzoek om minder uren te doceren, zodat hij op gevorderde leeftijd meer tijd aan zijn schrijftafel kon doorbrengen, door de universiteit geweigerd.

Hoewel hun proza torenhoog en mijlenbreed van elkaar verschilt, vertonen de levens van Kurt Vonnegut en John Williams opvallende gelijkenissen. Beiden onderhielden ze moeizame relaties met de vrouwen in hun leven, beiden doceerden ze creatief schrijven, beiden waren ze verslingerd aan een goed glas, bij beiden loerde de verbittering om de hoek, en, last but not least: beiden waren notoire kettingrokers – Williams zou op 72-jarige leeftijd aan longproblemen overlijden. Het grote verschil tussen de Amerikaanse auteurs was dat Vonnegut nog leefde toen hij met Slaughterhouse-Five doorbrak bij het grote publiek, terwijl Williams al geruime tijd onder de zoden lag voor hij aan de beurt kwam.

Over miskende schrijvers gesproken: op pagina 296 wandelt Richard Yates het boek binnen, volgens Esquire toen “de minst beroemde grote schrijver”. Omdat zijn reputatie hem voorging, werd hij bij zijn bezoek onder toezicht van een oud-student gesteld, die het volgende over hem vertelde: “… over elke schrijver die ik noemde, had Yates een grove, laatdunkende anekdote over de persoonlijke kleine zondes te melden, die altijd werd voorafgegaan door die schelle kreet – ‘Há!’ Helaas was de heer Yates in Denver weer volledig aan de drank.” Shields zou aan Yates een vette kluif hebben gehad, ware het niet dat Blake Bailey reeds op dat idee was gekomen.

John Williams: de man die de perfecte roman schreef was het laatste boek dat ik in 2017 uitlas. Laat het het eerste boek zijn dat u in 2018 openslaat.

Partnergeweld – een VERZiN-column

Le nouveau VERZiN est arrivé! In het nummer vindt u een stevig interview met Margot “Mazzel tov” Vanderstraeten om te lezen en te archiveren. Naar goede gewoonte staat op de schaduwzijde van de omslagpagina een stukje van mijn hand. De oud-scoutsvrienden uit mijn achterban herkennen wellicht de toiletlezer die erin wordt opgevoerd…

Ter herinnering aan hoe zo’n column er ook alweer uitziet: eentje uit de oude doos (VERZiN 4 uit 2015, over schrijven in de 21ste eeuw)

Partnergeweld

De Amerikaanse auteur Richard Wright stond om zes uur op. Vluchtend voor een huis vol kinderen trok hij er meteen op uit. Met een gele blocnote, een vulpen en een flesje inkt maakte hij het zich gemakkelijk op een bank in het nabije Fort Greene Park en schreef vier uur lang, regen of zonneschijn. Agatha Christie zette haar schrijfmachine waar er plek voorhanden was, tot op de toilettafel toe. De Brit V.S. Pritchett schreef op een oude deegplank die hij op de armleuningen van zijn bureaustoel liet rusten. Toen zijn pols het begaf, ruilde Henry James de pen voor een typiste in, en deponeerde chocoladerepen naast haar schrijfmachine om haar alert te houden.

“Routine, in an intelligent man, is a sign of ambition. The surest way to discipline passion is to discipline time.” Curry laat niet toevallig W.H. Auden als eerste aan het woord. Routine en doorzettingsvermogen, daarmee onderscheiden de 144 creatievelingen uit het boek zich van de rest van ons, waterdragers in het ondermaanse.

Die routine kan bepaald verrassende vormen aannemen. John Cheever trok zijn enige pak aan en nam samen met de andere pendelaars uit zijn flatgebouw de lift naar beneden. Hij stapte echter niet uit op het gelijkvloers, nee, hij daalde verder af. In de kelder hing hij zijn pak aan de haak. Tot aan de lunch schreef hij in zijn onderbroek. Maya Angelou verkiest soberheid. Zij huurt een motelkamer om te kunnen schrijven. In de kamer: een bed, een woordenboek, een bijbel, een kaartspel en een fles sherry. Tijdens zijn ballingschap werd Victor Hugo gewekt door het kanonschot van het naburige fort. Hij stond op, dronk enkele koppen verse koffie, slokte twee rauwe eieren naar binnen en schreef tot een uur of elf. Daarna ging hij op het dak staan om zich te wassen. Hij overgoot zich met koud water en ging zijn huid te lijf met een paardenharen washandje. De eilandbewoners van Guernsey mochten meekijken.

“How one works, assuming he’s disciplined, doesn’t matter,” zegt Bernard Malamud op het einde. “The trick is to make time – not steal it – and produce the fiction.” Routine en doorzettingsvermogen. Misschien moet er nog een derde pijler aan worden toegevoegd. Die van partnergeweld. Want wie Daily Routines heeft gelezen, weet dat de geliefden al te vaak het onderspit moeten delven. Respect dus voor de James Reeves-en van deze wereld. Respect voor Alice B. Toklas.

Een zomer vol valpartijen

Inspirerend, zo’n tafel vol papier, niet? Ditmaal heb ik zelfs fiches met kernwoorden op kurk geprikt. Om het overzicht te bewaren, maar even goed om er op een onbewaakt moment naar te kunnen kijken en mijn gedachten te laten afdrijven naar het eiland waar het volgende boek zich op zal afspelen. Een kaft vol notities, namen voor mijn protagonisten, een werktitel. Tijd om de mouwen op te stropen en aan die eerste versie te beginnen. Ik zie het helemaal zitten.

Maar ik heb het ook even niet zien zitten. Mijn laatste bericht op deze pagina dateert alweer van voor de zomer – mijn deelname aan het ICORN/WIPC-congres in Lillehammer afgekalfd tot een vage herinnering – en ik heb dimitribontenakel.com dermate verwaarloosd dat er een boete voor verkrotting dreigt. Een mens heeft soms belangrijker dingen aan zijn hoofd dan het onderhouden van zijn online-aanwezigheid.

Ik had nochtans grote plannen met de zomer. Ik had namelijk géén schrijfplannen. Tijdens de zomers van 2013 en ’15 had ik aan Schaduw en vuur zitten werken (in 2014 lag ik in de lappenmand, lees er hier alles over), en in die van 2016 kreeg ik de opdracht voor Gewraakt in de schoot geworpen. Daarom zou dit jaar de zomer van het grote nietsdoen worden. Batterijen opladen, terrasjes doen, het soort dolce far niente waar radiopresentatoren en glossy magazines de mond van vol hebben van zodra de IJsheiligen zijn gepasseerd.

Dolce far niente, mijn kloten. Tijdens een loopronde in het Middelheimpark liep ik mezelf voor de voeten en bevond de bosvloer zich plots op ooghoogte. Resultaat: ligamenten waar de rek uit was, een afspraak met een echograaf in het Middelheimziekenhuis en een kinesistenabonnement. Maar mijn ligamenten bleken het minste van mijn zorgen.

Op het werk – deze jongen heeft nog steeds een deeltijdse kantoorbaan – liep ik mezelf al evenzeer voor de voeten. Ik bespaar u de irrelevante en hoogst irritante details en wijs er enkel op dat stress zoiets is als opstijgend vocht: iets dat zich in alle stilte een woekerende weg naar binnen zoekt. En dan moest het ergste nog komen.

Ik was net terug van Schotland toen ik telefoon kreeg. Of ik het nieuws al gehoord had. Of iemand me al had verteld dat ze zwaar ziek was. Dat ze al enkele weken in het ziekenhuis lag. Dat er al gesproken werd om haar naar palliatieve over te brengen. Toen ik de telefoon neerlegde, kreeg ik geen adem meer.

Ze was het kloppende hart van de scoutsgroep waar ik in een vorig leven bij betrokken was, en ze was het kloppende hart van de groep vrienden die ik uit dat verleden geërfd heb. En ja, ik gebruik welbewust de verleden tijd – ze is intussen ingeslapen. Begin augustus was ze nog naar U2 in het Koning Boudewijnstadion gaan kijken en was er geen vuiltje aan de lucht, een maand later was alle hoop vervlogen, en zal ze in onze herinneringen voorgoed een meisje van achtenveertig blijven. Op vrijdag 8 september hebben we afscheid van haar genomen. Verweesd is een woord dat vaak in deze context gebruikt wordt, en dat klopt ook wel, want ze laat een hoop wezen op deze wereld achter die het in hun verdere leven – hoe lang of hoe kort dat ook moge zijn – zonder haar moet stellen.

Vorige week stelde Diane Broeckhoven haar nieuwe roman ‘Niemand heeft het gedaan’ voor in De Groene Waterman. Vooraan in het boek staat een citaat van Hans Dorrestijn: “De tijd heelt alle wonden maar slaat er nog veel meer.”

Zo is het maar net.

ontmoetingen in Lillehammer

Zij die me een beetje kennen, weten dat ik me inzet voor een vereniging die zich op haar beurt inzet voor de vrije meningsuiting. Mijn vrienden noemen het de schrijversclub, maar PEN Vlaanderen is haar eigenlijke naam. Meestal behelst dat vrijwilligerswerk de afwas doen en de vuilniszakken buitenzetten die door een in-zeven-haasten-vertrokken PEN-flatresident werden achtergelaten, soms behelst het een congres in het buitenland. Het jaarlijkse ICORN/WiPC-congres (ICORN staat voor International Cities of Refuge Network, WiPC voor Writers in Prison Committee) vond dit jaar in Lillehammer plaats. En deze jongen mocht daar samen met mij, twee collega-bestuursleden Isabelle Rossaert en Sven Cooremans heen. Hier leest u een kort verslagje. Voor de uitgebreide versie kunt u terecht op de PEN Vlaanderen-website.

De bijeenkomsten vonden plaats in het Scandic hotel in Lillehammer, een mastodont van een congreshotel waar Nijntje tranen met tuiten huilt om het fonteinbassin te vullen en gebruikte handdoeken niet op de grond maar in de wastafel thuishoren om de ruggen van het hotelpersoneel te sparen. Van ergonomisch verantwoorde werkomgevingen hebben de Noren duidelijk kaas gegeten, van kaas maken dan weer niet: hun bruine geitenkaas is, heu, “an acquired taste”.

Woensdag 31 mei

De conferentie verklaarde zich geopend met de getuigenissen van drie ICORN-residenten: de – ook in het Nederlands – vertaalde Russische dichteres Anzhelina Polonskaya, ICORN-residente in Frankfurt, de Jemenitische filmmaker Abdul Jabbar Alsuhili die als eerste de residentie in Helsingborg in gebruik mag nemen, en de journalist Tesfagiorgis Habte, die van 2009 tot 2013 in een Eritrese gevangenis heeft doorgebracht en sinds dit jaar in Zweden verblijft. We kennen pakkende verhalen als de hunne van onze eigen residenten, en toch viel telkens opnieuw het hoogst individuele parcours op dat een resident bewandelt/moet bewandelen en hoe regimes een brede schaduw kunnen werpen op het dagelijks bestaan van de bevolking die ze verondersteld worden te beschermen.

De eerste workshop droeg de titel Working with resettled journalists. How can we enable journalists in exile to work and use their unique insights in their new local environments and offer them tools to continue their fight for freedom of expression in their home countries?

Een hele mondvol. Jammer genoeg kregen we geen antwoord op deze vraag. Als journaliste en blogger getuigde de Azerbeidzjaansse Gunel Mevlud Imanova over haar ballingschap in Noorwegen. Dat het regime haar niet zomaar gerust zou laten, werd gauw duidelijk. Haar broers werden in 2015 gearresteerd als rechtstreeks gevolg van haar journalistieke activiteiten, en haar familie werd gedwongen haar te verstoten. Ze werd zwartgemaakt in de media en het bewind oefende druk op haar bronnen uit. De journaliste verloor alle contact met vele vrienden en familieleden, niet omwille van de staatspropaganda, wel omdat de mensen doodsbang waren en repercussies vreesden.

Lotta Schüllerqvist van Reporters without Borders bracht verslag uit van de Press Freedom Index 2017 (met de resultaten voor het jaar 2016) en meldde dat in 2/3 de van de 180 landen de persvrijheid verslechterde ten opzichte van het jaar voordien, niet alleen in dictaturen, ook in onze eigen democratieën. 76 journalisten verloren vorig jaar het leven. Meer dan de helft van alle icorn-kandidaat-residenten is overigens actief als journalist, en slechts 17% van de journalisten in ballingschap kan zijn werk blijven doen. De vraag is dan: wat kunnen organisaties doen om gevluchte journalisten te laten rapporteren over de misstanden in hun thuisland?

Niet altijd even veel, zal meteen blijken.

De Noor Olav Brostrup Miller werkte 17 jaar als journalist voor radio, tv en een regionale krant. Hij maakte de kanttekening dat de lijn tussen journalistiek en activisme vaak bijzonder dun is, en dat het daarom niet eenvoudig is om gevluchte verslaggevers aan het werk te zetten. Hij illustreerde dit met een verhaal over een Palestijnse journalist die in zijn krant over de oorlog in Gaza wilde berichten. Omdat de krant zijn bronnen niet mocht controleren, besloot ze het verhaal niét te brengen. Een andere beslissing tot niet-publicatie (ditmaal van gedichten van een Iraanse auteur) had meer pragmatische gronden: in tijden van besparingen en ontslagingsronden was er geen plaats voor correspondentie vanuit het Midden-Oosten, toch niet in een lokale krant. Wetten en praktische bezwaren, weet u wel.

Schüllerqvist en Reporters without Borders droomden van een mentorprogramma waarin journalisten in ballingschap stages zouden kunnen lopen bij kranten en tijdschriften – grátis stages, wel te verstaan, want geld voor gages is niet voorhanden. Een ander idee was om gevluchte journalisten in columns te laten berichten over het dagelijkse leven in hun gastland.

Meteen weerklonk protest uit het publiek van enkele gevluchte auteurs. Want is een stage niet voor studenten, voor beginnelingen? Na tien, twintig of meer jaren in het thuisland gewerkt te hebben, moeten wij nu echt opnieuw onder aan de ladder beginnen? En hoeveel kans krijgt een stagiair om aan diepgravende onderzoeksjournalistiek te doen? Cursiefje schrijven dan maar? De gevluchte journalist in de rol van toeschouwer te dwingen en hem een rolletje te laten spelen als vreemdeling in een vreemd land? Een circusbeer op een eenwieler?

De reacties brachten Schüllerqvist van haar stuk. Ze begreep het protest, zeer zeker begreep ze dat, maar met de beperkte middelen van de organisatie kon ze nu eenmaal geen pasklare oplossingen aandragen.

Ja, dergelijke initiatieven zijn ongetwijfeld goedbedoeld. En ja, (westerse) organisaties krijgen te weinig middelen en te weinig instrumenten aangereikt om gevluchte journalisten naar behoren te laten functioneren. Maar om hen dan maar in een gratis stage te stoppen of gekke stukjes te laten schrijven? Het komt vaak erg paternalistisch over.

Een workshop die geen nieuwe elementen aandroeg. Jammer.

 

Donderdag 1 juni.

De ochtend begon in de uit duurzame houtsoorten opgetrokken Maihaugsalen, Lillehammers classy concertzaal. De in het Engels schrijvende en in Londen wonende Pakistaanse Kamila Shamsie is de keynote speaker van dienst. Ze sprak alle aanwezige schrijvers op een allesbehalve vrijblijvende wijze aan, en maakte een dermate grote indruk op me dat ik me voornam bij terugkeer haar complete oeuvre te lezen. Enkele citaten:

It is the business of the novelist to know the world we are living in, as it is our business to observe.’

‘Nowadays you often hear: now the gloves are coming off. No! The gloves have always been off, now, the masks are coming off.’

‘Young novelists are often told to “write what they know”. Well, choose to know more!’

‘If we talk about freedom of expression, we generally talk about writers without such freedom. Point the fingers at the other writers for a change, those who cán write with freedom of speech and choose not to write about it. Why are yóu not writing? Why are yóu silent?’

‘The trajectories of history are moving in a certain directed path and will keep on doing so for many years. It is for the novelist to follow that path and observe.’

 

Across the Great Divide, zo heette de lezing van Larry Siems en Anders Heger over hun tocht door de vs tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Net als Geert Mak dat hen in ‘Reizen zonder John’ voordeed, volgden beide heren in de voetsporen van John Steinbeck toen deze ‘Travels with Charley’ schreef. Siems is een Amerikaanse journalist, Heger een Noorse uitgever en schrijver, en beide heren beschreven hun reis door de States als een reis op twee verschillende planeten maar dan tegelijkertijd.

Het viel Heger op hoe onvaderlandslievend de alt-right-propaganda feitelijk is. In wezen poneren ze het volgende: ‘We are a nation of losers, now is the time of the strong man.’ Mensen raken volslagen getraumatiseerd door de nieuwsbulletins van Fox News en de radioprogramma’s van Russ Limbaugh, waardoor ze zich wapens, bewakingssystemen en flakvesten gaan aanschaffen. Tegelijk maken ze de mensen wijs dat de reguliere media erop uit is eenieders leven zuur te maken. Hetzelfde gebeurde, aldus Heger, met Radio Mille Collines in Rwanda vóór en tijdens de genocide, of tijdens de burgeroorlog in Joegoslavië.

Siems: ‘Dertig, veertig jaar geleden keek je naar Walter Cronkite en wist je dat je de waarheid te horen kreeg over de oorlog in Vietnam, nu zit iedereen in zijn eigen wereld met zijn eigen (sociale) mediakanalen, en volg je enkel wat je zelf gelooft. In Trumpland is persvrijheid iets negatiefs. “Ze praten te veel!” Op die manier wordt alles op zijn kop gezet. There has never been a moment in history with so much progress made: a black president, female candidates… and then you have Fox telling white nationalists that they are losing. Hence, Trump.’

Siems: ‘De gebeurtenissen in Ferguson hebben eenheid gebracht onder de zwarte bevolking. Standing Rock brengt de stammen van de First Nation bij elkaar, en het is de grootste bijeenkomst sinds 1815. Voor die mensen is Trump geen verrassing, voor hen is het altijd de realiteit geweest.’

Is dat niet krék dezelfde boodschap die Shamsie vanochtend bracht? It is not the gloves that are coming off, the gloves have always been off, it is the masks that are coming off.

Beide heren schrokken van het vijandige klimaat. “They talk to the other side as they are talking to the enemy.” Republikeinen én Democraten. Tijdens hun rondreis wisten ze nog niet wie er ging winnen, maar achteraf beseften ze wel dat áls Hillary had gewonnen, er wellicht gevechten zouden zijn uitgebroken. Hetzelfde dreigt te gebeuren in het geval van een afzettingsprocedure. Nu al gelooft het Trump-kamp in een samenzweringstheorie van de cia, de fbi en de vn (en niet te vergeten: Hollywood) tegen Trump.

De volgende spreker is geen onbekende voor – even de puntjes op de i zetten – pen Belgium, Dutch Speaking Centre. ‘Guantanamo Dagboek’ van Mohamedou Ould Slahi en (opnieuw) Larry Siems werd in 2016 door onze eigen pen op het intussen ter ziele gegane Mind the Book onder de aandacht van het aanwezige publiek gebracht. Mohamedou heeft veertien jaar van zijn leven in de gevangenis van Guantanamo Bay doorgebracht. Zijn dagboekaantekeningen werden door zijn advocaten in stukken en brokken naar buiten gesmokkeld en in 2015 gepubliceerd. In oktober 2016 werd de zesenveertigjarige Mauretaniër vrijgelaten. Hij woont thans in zijn vaderland, en mag gedurende twee jaar de grens niet over, heeft er ook de papieren niet voor. Dat is dan ook de reden waarom het gesprek tussen Larry Siems en Mohamedou via skype verloopt.

Ik had het boek gelezen, kende het verhaal van Mohamedou, maar ik kende Mohamedou nog niet als persoon, en – goede god! –  wat een genoegen om hem te zien spreken. Zelden een mens ontmoet die zo genadig, geestdriftig en ja, ook wel luimig in het leven staat.

Enkele citaten:

“Ik miste de televisie, dacht aan al die mensen die televisie konden kijken wanneer ze dat maar wilden. Wist ik veel dat er in deze tablettijden geen hond meer naar de tv keek.”

“Advocaten zijn de laatste die van iets weten op Guantanamo.”

“Aanvankelijk wilde ik het bericht over mijn vrijlating niet geloven. Ze maken gevangenen zo vaak iets wijs. Dat ik plots malariapillen diende te slikken, besloot ik als een goed teken te beschouwen.”

“Bij zijn eerste bezoek deed Larry me een nieuwe printer cadeau. Tot op de dag van vandaag heeft dat ding nog geen letter willen drukken.”

Mohamedou vertelde niet alleen over zijn vrijlating, hij vertelde natuurlijk ook over zijn dagen in de gevangenis, over de verhoren, over de folteringen. Lees het boek als je er meer over wil weten, lees het boek hoe dan ook. En weet dat Mohamedou anno nu zijn bewakers én zelfs de officier die de officier die de folteringen leidde, op zijn Facebook en Whatsapp heeft staan. Daar kan zelfs Gandhi een puntje aan zuigen.

Toen het gesprek ten einde liep en Siems afscheid nam, stonden de tranen in zijn ogen.

Er waren andere sessies, véle andere sessies – een debat getiteld Free Expression in a Post-Truth World, gekaapt door PEN Oekraïne, een lezing van de Noorse schrijver Peter Normann Waage over de vrijheid van meningsuiting. En vele van die sessies werden door de moderator vroegtijdig afgesloten met de gevleugelde woorden ‘food for thought’.  Met het klimmen der jaren lijken de organisatoren hun congressen zodanig vol te stoppen dat er weinig tijd overblijft voor diepgaande gesprekken. Het blijft vaak erg vrijblijvend en algemeen, en dat zorgt voor frustratie bij de congresganger maar ook bij de sprekers, en dan heb ik het vooral over gevluchte schrijvers die zichzelf wel mogen voorstellen, maar vervolgens geen eigen inzichten kunnen formuleren, laat staan reageren op de voorbarige en vaak onbevredigende conclusies van de moderator.

Wat ik persoonlijk miste, en wat ik me van mijn eerste congres in Krakau (alweer vier jaar geleden) wél herinner, was het puur praktische werk – kleinere workshops waarbij enkele ICORN-steden hun ervaringen konden uitwisselen. Ja, daar dienden de pauzes en de avonden voor, maar een congres telt intussen zoveel participanten dat je niet weet wie welke stad vertegenwoordigt en je ook niet weet welke steden interessante feedback kunnen geven. Bovendien ben je na een dag, die loopt van half negen ’s ochtends tot zes uur ’s avonds bepaald murw geslagen om daar later op de avond werk van te maken.

Vrijdag 2 – zaterdag 3 en zondag 4 juni

Ontmoetingen met een twaalfjarige schansspringer die aan het trainen was op de Olympische skischans, een biatleet op rollerski’s, een onfortuinlijke robotmaaier die zich klem had gereden tussen twee keien, een tocht die met natte voeten eindigde, met dank aan de zompige bosvloer van het Noorse hinterland, lezingen van Karl Ove Knausgard, Max Porter, Claire-Louise Bennett, Tishani Doshi, Salma, Andrew McMillan, John Freeman, Lydia Davis, een treinrit in het gezelschap van de Indische transgender-activiste/hogepriesteres/diva Laxmi Narayan Tripathi en een bezoek aan het Edvard Munch-museum in Oslo.