ontmoetingen in Lillehammer

Zij die me een beetje kennen, weten dat ik me inzet voor een vereniging die zich op haar beurt inzet voor de vrije meningsuiting. Mijn vrienden noemen het de schrijversclub, maar PEN Vlaanderen is haar eigenlijke naam. Meestal behelst dat vrijwilligerswerk de afwas doen en de vuilniszakken buitenzetten die door een in-zeven-haasten-vertrokken PEN-flatresident werden achtergelaten, soms behelst het een congres in het buitenland. Het jaarlijkse ICORN/WiPC-congres (ICORN staat voor International Cities of Refuge Network, WiPC voor Writers in Prison Committee) vond dit jaar in Lillehammer plaats. En deze jongen mocht daar samen met mij, twee collega-bestuursleden Isabelle Rossaert en Sven Cooremans heen. Hier leest u een kort verslagje. Voor de uitgebreide versie kunt u terecht op de PEN Vlaanderen-website.

De bijeenkomsten vonden plaats in het Scandic hotel in Lillehammer, een mastodont van een congreshotel waar Nijntje tranen met tuiten huilt om het fonteinbassin te vullen en gebruikte handdoeken niet op de grond maar in de wastafel thuishoren om de ruggen van het hotelpersoneel te sparen. Van ergonomisch verantwoorde werkomgevingen hebben de Noren duidelijk kaas gegeten, van kaas maken dan weer niet: hun bruine geitenkaas is, heu, “an acquired taste”.

Woensdag 31 mei

De conferentie verklaarde zich geopend met de getuigenissen van drie ICORN-residenten: de – ook in het Nederlands – vertaalde Russische dichteres Anzhelina Polonskaya, ICORN-residente in Frankfurt, de Jemenitische filmmaker Abdul Jabbar Alsuhili die als eerste de residentie in Helsingborg in gebruik mag nemen, en de journalist Tesfagiorgis Habte, die van 2009 tot 2013 in een Eritrese gevangenis heeft doorgebracht en sinds dit jaar in Zweden verblijft. We kennen pakkende verhalen als de hunne van onze eigen residenten, en toch viel telkens opnieuw het hoogst individuele parcours op dat een resident bewandelt/moet bewandelen en hoe regimes een brede schaduw kunnen werpen op het dagelijks bestaan van de bevolking die ze verondersteld worden te beschermen.

De eerste workshop droeg de titel Working with resettled journalists. How can we enable journalists in exile to work and use their unique insights in their new local environments and offer them tools to continue their fight for freedom of expression in their home countries?

Een hele mondvol. Jammer genoeg kregen we geen antwoord op deze vraag. Als journaliste en blogger getuigde de Azerbeidzjaansse Gunel Mevlud Imanova over haar ballingschap in Noorwegen. Dat het regime haar niet zomaar gerust zou laten, werd gauw duidelijk. Haar broers werden in 2015 gearresteerd als rechtstreeks gevolg van haar journalistieke activiteiten, en haar familie werd gedwongen haar te verstoten. Ze werd zwartgemaakt in de media en het bewind oefende druk op haar bronnen uit. De journaliste verloor alle contact met vele vrienden en familieleden, niet omwille van de staatspropaganda, wel omdat de mensen doodsbang waren en repercussies vreesden.

Lotta Schüllerqvist van Reporters without Borders bracht verslag uit van de Press Freedom Index 2017 (met de resultaten voor het jaar 2016) en meldde dat in 2/3 de van de 180 landen de persvrijheid verslechterde ten opzichte van het jaar voordien, niet alleen in dictaturen, ook in onze eigen democratieën. 76 journalisten verloren vorig jaar het leven. Meer dan de helft van alle icorn-kandidaat-residenten is overigens actief als journalist, en slechts 17% van de journalisten in ballingschap kan zijn werk blijven doen. De vraag is dan: wat kunnen organisaties doen om gevluchte journalisten te laten rapporteren over de misstanden in hun thuisland?

Niet altijd even veel, zal meteen blijken.

De Noor Olav Brostrup Miller werkte 17 jaar als journalist voor radio, tv en een regionale krant. Hij maakte de kanttekening dat de lijn tussen journalistiek en activisme vaak bijzonder dun is, en dat het daarom niet eenvoudig is om gevluchte verslaggevers aan het werk te zetten. Hij illustreerde dit met een verhaal over een Palestijnse journalist die in zijn krant over de oorlog in Gaza wilde berichten. Omdat de krant zijn bronnen niet mocht controleren, besloot ze het verhaal niét te brengen. Een andere beslissing tot niet-publicatie (ditmaal van gedichten van een Iraanse auteur) had meer pragmatische gronden: in tijden van besparingen en ontslagingsronden was er geen plaats voor correspondentie vanuit het Midden-Oosten, toch niet in een lokale krant. Wetten en praktische bezwaren, weet u wel.

Schüllerqvist en Reporters without Borders droomden van een mentorprogramma waarin journalisten in ballingschap stages zouden kunnen lopen bij kranten en tijdschriften – grátis stages, wel te verstaan, want geld voor gages is niet voorhanden. Een ander idee was om gevluchte journalisten in columns te laten berichten over het dagelijkse leven in hun gastland.

Meteen weerklonk protest uit het publiek van enkele gevluchte auteurs. Want is een stage niet voor studenten, voor beginnelingen? Na tien, twintig of meer jaren in het thuisland gewerkt te hebben, moeten wij nu echt opnieuw onder aan de ladder beginnen? En hoeveel kans krijgt een stagiair om aan diepgravende onderzoeksjournalistiek te doen? Cursiefje schrijven dan maar? De gevluchte journalist in de rol van toeschouwer te dwingen en hem een rolletje te laten spelen als vreemdeling in een vreemd land? Een circusbeer op een eenwieler?

De reacties brachten Schüllerqvist van haar stuk. Ze begreep het protest, zeer zeker begreep ze dat, maar met de beperkte middelen van de organisatie kon ze nu eenmaal geen pasklare oplossingen aandragen.

Ja, dergelijke initiatieven zijn ongetwijfeld goedbedoeld. En ja, (westerse) organisaties krijgen te weinig middelen en te weinig instrumenten aangereikt om gevluchte journalisten naar behoren te laten functioneren. Maar om hen dan maar in een gratis stage te stoppen of gekke stukjes te laten schrijven? Het komt vaak erg paternalistisch over.

Een workshop die geen nieuwe elementen aandroeg. Jammer.

 

Donderdag 1 juni.

De ochtend begon in de uit duurzame houtsoorten opgetrokken Maihaugsalen, Lillehammers classy concertzaal. De in het Engels schrijvende en in Londen wonende Pakistaanse Kamila Shamsie is de keynote speaker van dienst. Ze sprak alle aanwezige schrijvers op een allesbehalve vrijblijvende wijze aan, en maakte een dermate grote indruk op me dat ik me voornam bij terugkeer haar complete oeuvre te lezen. Enkele citaten:

It is the business of the novelist to know the world we are living in, as it is our business to observe.’

‘Nowadays you often hear: now the gloves are coming off. No! The gloves have always been off, now, the masks are coming off.’

‘Young novelists are often told to “write what they know”. Well, choose to know more!’

‘If we talk about freedom of expression, we generally talk about writers without such freedom. Point the fingers at the other writers for a change, those who cán write with freedom of speech and choose not to write about it. Why are yóu not writing? Why are yóu silent?’

‘The trajectories of history are moving in a certain directed path and will keep on doing so for many years. It is for the novelist to follow that path and observe.’

 

Across the Great Divide, zo heette de lezing van Larry Siems en Anders Heger over hun tocht door de vs tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Net als Geert Mak dat hen in ‘Reizen zonder John’ voordeed, volgden beide heren in de voetsporen van John Steinbeck toen deze ‘Travels with Charley’ schreef. Siems is een Amerikaanse journalist, Heger een Noorse uitgever en schrijver, en beide heren beschreven hun reis door de States als een reis op twee verschillende planeten maar dan tegelijkertijd.

Het viel Heger op hoe onvaderlandslievend de alt-right-propaganda feitelijk is. In wezen poneren ze het volgende: ‘We are a nation of losers, now is the time of the strong man.’ Mensen raken volslagen getraumatiseerd door de nieuwsbulletins van Fox News en de radioprogramma’s van Russ Limbaugh, waardoor ze zich wapens, bewakingssystemen en flakvesten gaan aanschaffen. Tegelijk maken ze de mensen wijs dat de reguliere media erop uit is eenieders leven zuur te maken. Hetzelfde gebeurde, aldus Heger, met Radio Mille Collines in Rwanda vóór en tijdens de genocide, of tijdens de burgeroorlog in Joegoslavië.

Siems: ‘Dertig, veertig jaar geleden keek je naar Walter Cronkite en wist je dat je de waarheid te horen kreeg over de oorlog in Vietnam, nu zit iedereen in zijn eigen wereld met zijn eigen (sociale) mediakanalen, en volg je enkel wat je zelf gelooft. In Trumpland is persvrijheid iets negatiefs. “Ze praten te veel!” Op die manier wordt alles op zijn kop gezet. There has never been a moment in history with so much progress made: a black president, female candidates… and then you have Fox telling white nationalists that they are losing. Hence, Trump.’

Siems: ‘De gebeurtenissen in Ferguson hebben eenheid gebracht onder de zwarte bevolking. Standing Rock brengt de stammen van de First Nation bij elkaar, en het is de grootste bijeenkomst sinds 1815. Voor die mensen is Trump geen verrassing, voor hen is het altijd de realiteit geweest.’

Is dat niet krék dezelfde boodschap die Shamsie vanochtend bracht? It is not the gloves that are coming off, the gloves have always been off, it is the masks that are coming off.

Beide heren schrokken van het vijandige klimaat. “They talk to the other side as they are talking to the enemy.” Republikeinen én Democraten. Tijdens hun rondreis wisten ze nog niet wie er ging winnen, maar achteraf beseften ze wel dat áls Hillary had gewonnen, er wellicht gevechten zouden zijn uitgebroken. Hetzelfde dreigt te gebeuren in het geval van een afzettingsprocedure. Nu al gelooft het Trump-kamp in een samenzweringstheorie van de cia, de fbi en de vn (en niet te vergeten: Hollywood) tegen Trump.

De volgende spreker is geen onbekende voor – even de puntjes op de i zetten – pen Belgium, Dutch Speaking Centre. ‘Guantanamo Dagboek’ van Mohamedou Ould Slahi en (opnieuw) Larry Siems werd in 2016 door onze eigen pen op het intussen ter ziele gegane Mind the Book onder de aandacht van het aanwezige publiek gebracht. Mohamedou heeft veertien jaar van zijn leven in de gevangenis van Guantanamo Bay doorgebracht. Zijn dagboekaantekeningen werden door zijn advocaten in stukken en brokken naar buiten gesmokkeld en in 2015 gepubliceerd. In oktober 2016 werd de zesenveertigjarige Mauretaniër vrijgelaten. Hij woont thans in zijn vaderland, en mag gedurende twee jaar de grens niet over, heeft er ook de papieren niet voor. Dat is dan ook de reden waarom het gesprek tussen Larry Siems en Mohamedou via skype verloopt.

Ik had het boek gelezen, kende het verhaal van Mohamedou, maar ik kende Mohamedou nog niet als persoon, en – goede god! –  wat een genoegen om hem te zien spreken. Zelden een mens ontmoet die zo genadig, geestdriftig en ja, ook wel luimig in het leven staat.

Enkele citaten:

“Ik miste de televisie, dacht aan al die mensen die televisie konden kijken wanneer ze dat maar wilden. Wist ik veel dat er in deze tablettijden geen hond meer naar de tv keek.”

“Advocaten zijn de laatste die van iets weten op Guantanamo.”

“Aanvankelijk wilde ik het bericht over mijn vrijlating niet geloven. Ze maken gevangenen zo vaak iets wijs. Dat ik plots malariapillen diende te slikken, besloot ik als een goed teken te beschouwen.”

“Bij zijn eerste bezoek deed Larry me een nieuwe printer cadeau. Tot op de dag van vandaag heeft dat ding nog geen letter willen drukken.”

Mohamedou vertelde niet alleen over zijn vrijlating, hij vertelde natuurlijk ook over zijn dagen in de gevangenis, over de verhoren, over de folteringen. Lees het boek als je er meer over wil weten, lees het boek hoe dan ook. En weet dat Mohamedou anno nu zijn bewakers én zelfs de officier die de officier die de folteringen leidde, op zijn Facebook en Whatsapp heeft staan. Daar kan zelfs Gandhi een puntje aan zuigen.

Toen het gesprek ten einde liep en Siems afscheid nam, stonden de tranen in zijn ogen.

Er waren andere sessies, véle andere sessies – een debat getiteld Free Expression in a Post-Truth World, gekaapt door PEN Oekraïne, een lezing van de Noorse schrijver Peter Normann Waage over de vrijheid van meningsuiting. En vele van die sessies werden door de moderator vroegtijdig afgesloten met de gevleugelde woorden ‘food for thought’.  Met het klimmen der jaren lijken de organisatoren hun congressen zodanig vol te stoppen dat er weinig tijd overblijft voor diepgaande gesprekken. Het blijft vaak erg vrijblijvend en algemeen, en dat zorgt voor frustratie bij de congresganger maar ook bij de sprekers, en dan heb ik het vooral over gevluchte schrijvers die zichzelf wel mogen voorstellen, maar vervolgens geen eigen inzichten kunnen formuleren, laat staan reageren op de voorbarige en vaak onbevredigende conclusies van de moderator.

Wat ik persoonlijk miste, en wat ik me van mijn eerste congres in Krakau (alweer vier jaar geleden) wél herinner, was het puur praktische werk – kleinere workshops waarbij enkele ICORN-steden hun ervaringen konden uitwisselen. Ja, daar dienden de pauzes en de avonden voor, maar een congres telt intussen zoveel participanten dat je niet weet wie welke stad vertegenwoordigt en je ook niet weet welke steden interessante feedback kunnen geven. Bovendien ben je na een dag, die loopt van half negen ’s ochtends tot zes uur ’s avonds bepaald murw geslagen om daar later op de avond werk van te maken.

Vrijdag 2 – zaterdag 3 en zondag 4 juni

Ontmoetingen met een twaalfjarige schansspringer die aan het trainen was op de Olympische skischans, een biatleet op rollerski’s, een onfortuinlijke robotmaaier die zich klem had gereden tussen twee keien, een tocht die met natte voeten eindigde, met dank aan de zompige bosvloer van het Noorse hinterland, lezingen van Karl Ove Knausgard, Max Porter, Claire-Louise Bennett, Tishani Doshi, Salma, Andrew McMillan, John Freeman, Lydia Davis, een treinrit in het gezelschap van de Indische transgender-activiste/hogepriesteres/diva Laxmi Narayan Tripathi en een bezoek aan het Edvard Munch-museum in Oslo.

requiem voor een boekentournee

Ik was niet van plan om terug te komen op de Van Mierlo en Bontenakel hebben boeken geschreven-tournee, maar kijk: enkele dagen geleden vernam ik dat er zowaar een verslag bestaat van onze passage in de kelder van boekhandel De Groene Waterman. Sjaak Oostenrijk loopt tot het einde van deze maand stage in de boekhandel, schreef een uitvoerig verslag en plaatste het op de site van De Groene Waterman.

Oostenrijk neemt daarbij geen genoegen met een zakelijke rapportering van woorden en feiten, nee, hij observeert en interpreteert. Was u er niet bij op zaterdagnamiddag 17 februari? Hier leest u wat u zoal gemist hebt:

Een humorist en een stilist die elkaar vinden in de inhoud

Verslag van een dubbele boekvoorstelling:
Toon Van Mierlo – Een Paar is Twee en
Dimitri Bontenakel – Schaduw en Vuur

Sjaak Oostenrijk, stagiair MA Taal- en Letterkunde, 17 maart 2017

Twee Antwerpse schrijvers van midden-veertig zitten gebroederlijk voor me, duidelijk op hun gemak. De linker joviaal, monter en bebaard, de rechter fijn gebouwd, ingetogener en met een zachtaardige ernst over zich. Toon Van Mierlo -de auteur met baard- en Dimitri Bontenakel -de schrijver met timide uitstraling- staan op het punt om elkaars jongste romans aan de bomvolle kelder voor te stellen. Want wat moet je anders als je nagenoeg even oud bent en als je bovendien allebei van Antwerpen afkomstig, beide fervente zondagochtendsporters en alle twee Kurt Vonnegut-bewonderaars bent? Aldus de retorische vraag op het affiche voor deze zaterdagmiddag. Blijkbaar heb je dan echt geen andere keus, want hier zitten we.

file

Van Mierlo bijt de spits af over zijn buurmans Schaduw en Vuur door de openingsscène voor te lezen. Het betreft Bontenakels vierde roman, waarin deze opnieuw bewijst stilistisch zeer begaafd te zijn, zo stelt Van Mierlo daarna begeesterd. Bij het grote publiek is hij nog niet doorgebroken, maar met deze publicatie komt daar wellicht verandering in, klinkt het oprecht. Het is namelijk een uitstekend opgebouwde roman. In vergelijking hiermee waren zijn vorige boeken vingeroefeningen, aldus Van Mierlo. Bontenakel zelf kijkt niet in de verste verte verontwaardigd over deze laatste opmerking. Hij zal het er wel mee eens zijn.

En het moet gezegd worden: Schaduw en Vuur steekt behoorlijk ingenieus in elkaar. Van Mierlo legt uit hoe het boek begint in het jaar 2042 en de lezer vervolgens zestig jaar terug in de tijd neemt, op opzienbarend vloeiende wijze. De roman kent mede hierdoor een sterke spanningsboog en zit vol met zowel gruwel als liefde. Contrastwerking genoeg dus. Ook speelt kunst er een prominente rol in. “Eros en Thanatos!” Roept Van Mierlo. Grote culturele interteksten schuwt Bontenakel blijkbaar evenmin. Eros, in brede zin de representant van het verlangen naar opwinding en bevrediging, en Thanatos, in abstractie de vertegenwoordiger van het verlangen naar rust en ontspanning, kunnen samen immers de volledige dynamiek binnen een mensenleven beslaan.

Van Mierlo legt vervolgens uit hoe hij jarenlang als broodwerk boekhandels afstruinde namens uitgeverijen. Als boekenvertegenwoordiger leurde hij aldaar met hun publicaties. Opdat de boekenwinkels er zoveel mogelijk van zouden bestellen. Zijn ervaring in dat vak probeert hij nu ten volste in te zetten, vertelt hij lachend.

Hij vervolgt zijn boekenvertegenwoordigerspraatje met een korte inleiding ten dienste van een fragment uit Schaduw en Vuur dat hij direct daarop begint voor te dragen. Het betreft een scène spelend in 2032, wanneer kunstenares Nora, één van de hoofdpersonages, op de toppen van haar kunnen is. Haar dertienjarige zoon Timur focaliseert het fragment: de begrafenis van zijn oom -en dus Nora’s broer- Max in Hoboken. Max is door een droneaanval in Afghanistan om het leven gekomen. Aan het fragment valt mij vooral de rijke beeldtaal op. Van Bontenakel schrijft zwierig en sferisch, zonder dat het ten koste gaat van de vlotheid. Hierin spelen de dialoog en gedachten van Timur waarschijnlijk een sleutelrol. Zo beschrijft Bontenakel tamelijk frivool hoe Timur op de begrafenis ongemakkelijk wordt van een bezoekende docent, meneer Schram, en daarvoor steun zoekt bij oma Machteld.

9200000058738297Na Van Mierlo’s voordracht is het Bontenakels beurt. Ook hij vangt aan met de beginscène van de roman van zijn buurman. Willem, één van de hoofdpersonen in Een Paar is Twee, is niet anti-zelfmoord, ziet in baby’s die de wiegendood sterven zelfs romantisch een teveel aan sensitiviteit en intelligentie, licht Bontenakel toe. Het tekent de soms eigenzinnige humor van Van Mierlo. Een Paar is Twee deed hem geregeld aan High Fidelity van Nick Hornby denken, zegt Bontenakel. Ook daar is zelfmoord een terugkerend thema en ook daar speelt muziek een heel belangrijke rol. Tevens is het soort humor volgens Bontenakel vergelijkbaar. En dat is relevant, want Van Mierlo’s jongste roman is boven alles humoristisch.

Het centrale onderwerp in Een Paar is Twee is waarschijnlijk relatieproblematiek. Willem, Stef en Danny zijn drie schoonbroers en nemen beurtelings de vertellersrol op zich. Willem houdt van café’s waar ze hardgekookte eieren opdienen en gelooft in karma op een heel cliëntalistische manier: op een gegeven moment in het boek geeft hij een landloper vijftig euro, om daarna direct een kiosk binnen te snellen en een kraslot aan te schaffen. Bontenakel vertelt het duidelijk geamuseerd. Stef wordt vervolgens getypeerd als een man met een favoriet kind, iets wat hij van zichzelf accepteert, in tegenstelling tot Meryl Streep, die over de immoraliteit van kroostvoorkeur blijkbaar eens een hartekreet de wereld in heeft gestuurd. Danny tot slot, heeft een opmerkelijke voorliefde voor grasmaaien. Het zal de geur zijn, vermoed ik.

Bontenakel vertelt hoe de drie vertellers ieder aan het woord komen op een moment waarop hun respectievelijke relaties niet al te best verlopen. Over hoe overspel uiteindelijk iedere betrokkene schaadt, voegt hij hieraan toe. Voorts leest ook Bontenakel een fragment voor uit het boek van zijn kompaan. De humor spreekt uit haast elke zin en ik verwonder me hoe het kan dat de dialogen vlot, sterk en herkenbaar, maar toch flink absurd kunnen zijn.

Volgend op deze symmetrische inleiding van elkanders boeken gaan de twee auteurs in op hun gelijkenissen, en dan vooral hun gedeelde passie voor het werk van Kurt Vonnegut, die, zo benadrukken ze, veel meer interessants heeft geproduceerd dan alleen Slaughterhouse Five. Van Mierlo vertelt hoe hij en Bontenakel op café ontdekten dat ze hun bijna maniakale Vonnegut-liefde gemeen hadden. Na even wat tegen elkaar opbieden met kennis over het werk en leven van de Amerikaanse schrijver, kwam Van Mierlo erachter dat zijn gesprekspartner er toch net wat meer vanaf wist dan hij. Daarop besloot hij het over een andere boeg te gooien, door te verkondigen dat hij de trotse bezitter was van een Kurt Vonnegut-T-shirt. Waarop Bontenakel, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, reageerde dat hij er ook zo één had.

Nu lijkt Vonneguts werk bijzonder onstuimig tot stand gekomen te zijn, aldus het schrijversduo, maar is hij eveneens bekend om zijn acht regels voor het schrijven van een goede roman. En laten Van Mierlo en Bontenakel omtrent deze regels nu net een interactief en informatief spelletje bedacht hebben! Ze verzoeken daarvoor het publiek een nummer tussen nul en negen te roepen. Dit levert als eerste ‘vijf’ op. Dat getal correspondeert met de regel ‘Begin zo dicht mogelijk bij het einde’. In hoeverre komt dit terug in de boeken van de twee schrijvers op het podium? Vinden ze het überhaupt ergens op slaan? Wel, Bontenakel begint in zijn jongste vrucht dus aan het einde, geeft hij direct aan. Hij is ook iemand die de structuur van zijn boek zorgvuldig uitdenkt, met behulp van talloze post-its, alvorens het uit te schrijven. Hij kan zich dan ook wel vinden in deze regel van Vonnegut. Van Mierlo daarentegen geeft aan niet te snappen wat het nut is van zo dicht mogelijk bij het einde beginnen. Hij weet tijdens het schrijven ook tot aan het einde niet hoe het verhaal waaraan hij bezig is, af zal lopen. Dit is eerder een filmtechniek, stelt hij. Misschien bedoelde Vonnegut het ook niet zo letterlijk, bedoelde hij vooral dat je goed na moest denken over je verhaal.

Toon_Dimitri_DGW_18022017_2Het volgende cijfer dat uit het publiek komt rollen is ‘twee’. Daarmee komen de schrijvers uit op de regel ‘Geef de lezer minstens één personage waar hij of zij voor kan supporteren’. Want het is belangrijk om wat sympathie te voelen bij in ieder geval een deel van het boek; als lezers voor iemand of iets kunnen duimen, betrekt dat ze bij de roman. Bontenakel haalt een graphic novel aan die hij recent heeft gelezen, waarin de meeste personages in plaats van een hoofd, een smiley op hun schouders hadden staan. Voor degenen met een normaal hoofd, kreeg hij direct sympathie. Van Mierlo voert aan dat je je sympathieke personage wel degelijk kan laten verliezen, als het verhaal maar goed genoeg in elkaar zit, interessant genoeg is. Daarop komen de twee auteurs tot de conclusie dat ze beiden genoeg minbaarheid in hun personages gestopt hebben, en deze regel dus niet overtreden.

De laatste regel die de schrijvers bespreken, is regel nummer vier: ‘Elke zin moet één van deze twee dingen bewerkstelligen: een personage ontwikkelen of een actie voortstuwen’. Van Mierlo tekent hier direct bij aan dat hij zich met geen mogelijkheid kan voorstellen dat Vonnegut zich hier zelf aan hield. Daar schrijft hij veel te speels, veel te onvoorspelbaar voor. Hij lacht erbij. De acht regels van Vonnegut lijken prompt weinig meer dan een ludieke uiting. Bontenakel en Van Mierlo zijn hoegenaamd eensgezind dat ze zich niet boven hun bureaus bij elke zin gaan afvragen of hij aan één van deze twee voorwaarden voldoet.

Vanuit het publiek rijst vervolgens de vraag wat voor de twee schrijvers het motief is om romans te produceren. Van Mierlo is bondig en resoluut: “plezier!” Bontenakel reageert dat het schrijven vanzelf voort lijkt te vloeien uit het fanatieke lezen dat hij al heel zijn leven doet, beginnend met stripverhalen in zijn kindertijd. Toen hij zelf ging schrijven, kwam hij er bovendien achter dat hij het ook gewoon erg plezierig vindt. Wederom een eendrachtig auteursduo dus.

Het laatste onderdeel van de avond bestaat uit vier blokjes voorgelezen tekst. Twee van elke literator uiteraard, maar ditmaal wel voorgedragen door hemzelf. Toon Van Mierlo begint met een volslagen van de pot gerukt fragment, dat zijn motiefantwoord meteen treffend illustreert. Stef gaat erin joggen in het park op het moment dat er een epidemie heerst waardoor er geregeld mensen die zware lichamelijke inspanningen doen, spontaan ontbranden of zelfs ontploffen. Omdat hierdoor meerdere doden per dag vallen, controleert de politie op fysieke belasting. Zo ook in het park. Dit mondt uit in een belachelijke interactie tussen Stef en de flikken na een vermaning. Uiteindelijk jogt Stef tergend sloom uit het zicht van de agenten.

Dimitri Bontenakel opteert hierna voor een stukje van zijn website. Het handelt over de burn-out die hij kreeg in 2014, waardoor hij Schaduw en Vuur tijdelijk onderbrak. Net als Van Mierlo heeft ook hij een baan naast zijn schrijverschap, wat hem destijds dus te veel werd. Gelukkig heeft het de totstandkoming van zijn laatste werk dus niet verhinderd. Sterker nog: van het herschrijven zegt Bontenakel weer erg genoten te hebben. Dit wordt door veel mensen vreemd gevonden, stelt hij. Het zou toch de saaie kant van het scheppen zijn. En bovendien iets wat een waar literair genie helemaal niet hoeft te doen. Dat is een fabeltje, aldus Bontenakel; je moet wel. Dit komt overeen met wat ik veel andere schrijvers hierover heb horen zeggen: herschrijven noemen ze vaak het echte werk. En het zware deel. Maar voor Bontenakel is het een gelukzalig wegwerken van onzekerheden. Met het herwerken schept hij vertrouwen en voldoening.

Van Mierlo besluit met een scène uit Een Paar is Twee waarin Danny met zijn vrouw en haar minnaar heeft afgesproken in een restaurant. Daar blijft hij curieus rustig bij, wat hem in staat stelt tot hilarische retorische provocaties. Danny’s vrouw Wendy had deze minnaar ontmoet bij een cursus Italiaans. Samen sloegen ze die wel eens over om zich gezamenlijk terug te trekken in een hotelkamer. Luc, zoals de man in kwestie heet, is heel gelijkaardig aan Danny, maar ook volgens Wendy zelf net een slagje minder knap en intelligent. De ontrouw was voor haar gewoon een verzetje, haar man wou ze helemaal niet verlaten. Luc en Wendy hadden afgesproken elkaar voor de veiligheid niet te mailen of te sms’en, maar hij had tijdens een les Italiaans eens een smachtend briefje, ondertekend met ‘L’, in haar handtas gedaan. Dit had Danny gevonden, waardoor de affaire was uitgekomen. En gelukkig maar, anders waren wij verstoken geweest van deze restaurantscène, die zeer de moeite waard is.

Afsluiter van de avond is een fragment uit Bontenakels Schaduw en Vuur, spelend in 1997. Max, zijn jongere broer Leon, van 22, en Nora trekken op dat moment per auto door de bergen in het hoge noorden van Europa: op 71 graden noorderbreedte. Leon is een vertwijfelde jongeman en wordt daarbovenop door Max bespot om zijn schrijfambities, terwijl het drietal langs de grootste kloof van Europa rijdt. Daar hopen ze onder andere het noorderlicht te kunnen aanschouwen. Deze scène is verhalender dan het fragment dat Van Mierlo had voorgelezen. Het kent een mooie balans tussen actie en dialoog. Ook valt de feilloze stijl opnieuw op.

Een dubbele boekvoorstelling: dat blijkt helemaal zo’n slecht idee nog niet. ‘Van Mierlo en Bontenakel’: het bekt zelfs lekker. Waarschijnlijk droeg het contrast in stijlen in behoorlijke mate bij aan de charme van deze literaire avond. Dit naast het goede niveau van de voorgelezen fragmenten en het onderhoudende Vonnegutspel in het midden. Ook de metaliteraire informatie was boeiend. Nu rest ons alleen nog de romans.

weekberichten – over dode, levende en slempende acteurs

maandag 24 april: kartonnen dozen
Het boek ligt drie maand in de rekken intussen, de voorstellingen – in prachtboekhandels Barbóék, De Groene Waterman, Limerick en Boekuil – zijn achter de rug, de recensies geschreven. Hoog tijd voor een opruimactie en all things Schaduw en vuur van een prominente plek in het schrijfhok naar een minder prominente plek in het schrijfhok te verhuizen. Ik heb geen papierfetisj – er zijn al stapels typoscripten, aantekeningen en kattebelletjes naar het handgeschepte Hiernamaals verscheept – maar ben het wél aan mezelf verschuldigd om één exemplaar van elke versie achter de hand te houden. Op zoek naar een geschikte kartonnen doos dus om dit torentje van zes versies in te huisvesten.

woensdag 26 april: slecht jaar voor Alien-acteurs
De barnumcampagne voor Alien: Covenant is afgetrapt. Zet – zoals ik vandaag deed – een voet op Youtube en je wordt om de oren geslagen met teaser trailers, official trailers, proloogfilmpjes en een onduidelijke spot met een Audi Lunar Quattro.
In space nobody can hear you honk.

Ik herinner het me nog zeer goed. Een jaar of tien was ik, en terwijl moeder haar supermarkt-karretje vulde, zat ik met zus in kleermakerszit voor het stripverhalenrek van de Jawa in Edegem. Een boek met een ei op de kaft trok mijn aandacht. Ik sloeg het open en zag een raar beest met slecht gebit door de ribbenkas van een man breken. Mijn verbeelding sloeg spoorslags op hol. Vijf jaar later zag ik de iconische chestburster scene op een gehuurde moviebox.

Weinig sterfscènes zo legendarisch als die met John Hurt aan boord van de Nostromo. Weinig acteurs zo goed als John Hurt. De man stierf op 25 januari 2017.

Exact een maand later, op 25 februari, stierf Bill Paxton. Game over, man voor Bill. U hoort inderdaad het juiste belletje rinkelen, Paxton speelde private Hudson in de tweede Alien-prent en ging daarin met de helft van de oneliners lopen.

Sigourney leeft nog. Harry Dean Stanton ook. Dat ze toch maar opletten als ze de straat oversteken, zij en Harry en al die andere Alien-acteurs.

donderdag 27 april: de rode loper
Nu ja, een rode loper ligt er niet, daar in het cultureel centrum van Mechelen, maar er zijn boterwafeltjes en Gouden Carolus en dat is toch ook een beetje feestelijk. Vandaag gaat Gewraakt in première, en omdat alle vertoningen uitverkocht zijn én omdat het een maand geleden is dat ik nog een repetitie heb bijgewoond, ben ik een tikje nerveus.

Een jaar geleden introduceerde Annelies Verbeke me bij theatergezelschap Lucky Leo (zie eerdere berichten), en als ik één ding geleerd heb tijdens het maken van mijn allereerste theatertekst, dan is het wel: “laat het los, Bontenakel.”
Loslaten is inderdaad de boodschap. Jij mag als theaterschrijver dan wel de potgrond aanleveren, het is de regisseur die beslist welke groenten in de moestuin verbouwd worden, en het zijn de acteurs die aan het telen slaan. Zo gaat dat.

Me overigens goed geamuseerd op die première. De aders van het marmeren decor waren prachtig geschilderd, het publiek kuchte niet tijdens stiltemomenten en de acteurs waren in vorm, vooral dan de twee magistraten die op de scène aan het slempen sloegen en een fles rode wijn leegden (zonder van hun laddertje te slaan).

vrijdag 28 en zaterdag 29 april: meer wijn
Vrijdag komen de vrienden kijken. De voorstelling loopt wat stroever. Niettemin maken de magistraten een tweede fles soldaat. Een vriend vraagt wat de achterliggende boodschap is, een andere heeft Arthur-van-Schuif af in het publiek zien zitten.
De derde voorstelling loopt op rolletjes. Krijttekeningen en wafelkruimels op de grond, een restje flessengeluk in de wijnkaraf – alles zoals het hoort.

zondag 30 april: geen boterwafels voor Bontenakel
Ik twijfel maar beslis uiteindelijk om de laatste voorstelling van Gewraakt niet bij te wonen. Voeten omhoog vanavond. Wat ik in de plaats heb uitgestoken? Naar de Ridley Scott-prent Prometheus gekeken. De Director’s Cuts van Alien en Aliens had ik al herbekeken, de Assembly Cut van Alien³ ook. (Alien: Ressurrection sla ik over wegens te onnozel voor woorden.) Tijd voor de prequel. Ha ja, over drie weken komt Alien: Covenant in de zalen en daar hoort een mens zich toch een beetje op voor te bereiden.

 

 

 

wanneer u welke boekhandel mag bezoeken

We gaan dus op boekhandeltournee. Wij, dat zijn Toon Van Mierlo en ik. Even oud, allebei van Antwerpen, allebei zondagochtendsporters, en we komen in dezelfde maand met een nieuw boek uit. Dan doe je dat toch gewoon samen. Dat heeft één groot voordeel: ik hoef mijn eigen boek niet te bewieroken, Toon doet dat voor mij. En vice versa.

Toon vertelt waarom u Schaduw en vuur moet kopen, ik leg uit waarom u absoluut Een paar is twee moet lezen. Dat moet u overigens écht doen. We doen ook iets actiefs rond Kurt Vonnegut, van wie we beiden superfan zijn. O, en had ik al verteld dat er prijzen te rapen vallen?

Waar wordt u verwacht?

BARBÓÉK, LEUVEN op dinsdag 7 februari om 20u00

DE GROENE WATERMAN, ANTWERPEN op zaterdag 18 februari om 16u00

LIMERICK, GENT op maandag 6 maart om 20u00

met DE ZONDVLOED, MECHELEN zijn we nog aan het afspreken.

Kijk even in je agenda. Want wie weet, valt u die avond wel in de prijzen. (Ja, ik heb het tegen u!)

Schaduw en vuur – 17 januari ’17

Korte dienstmededeling: het nieuwe boek ligt vanaf 17 januari in de rekken. Duizend bommen en granaten! Ik loop hem al een tijdje aan te kondigen, maar nu is er eindelijk een datum. U mag zich luidop afvragen of er iemand op een nieuwe Bontenakel zit te wachten of u mag delen in de feestvreugde, de keuze is aan u.

Weet u wanneer de eerste kiem van Schaduw en vuur ontsproot? In het najaar van 2012. Inderdaad, nog voor het verschijnen van het schorpioenenboek. Want op een avond zag ik de prachtige documentaire Marwencol op tv.

Op 7 april 2000 wordt Mark Hogancamp na een cafébezoek brutaal in elkaar geslagen. Negen dagen later ontwaakt hij uit een coma. Zijn fijne motoriek is hij kwijt. Zijn geheugen ook.

 

Marks wereld werd hem ontstolen. Twee jaar na de feiten begint Mark in zijn tuin aan Marwencol te bouwen, een Ardens dorpje waar de tijd stil is blijven staan in de jaren 40-45. Mark bevolkt het dorpje met poppen (schaal 1:6) die zijn familie, vrienden en buren voorstellen, maar ook zijn aanvallers lopen er rond, in de gedaante van brute SS’ers.

Marks eigen alter ego is een neergestorte piloot die in Marwencol een nieuwe thuis vindt. Met een fototoestel legt Mark zijn leven en dat van de Marwencolbewoners vast. Een helingsproces.

De documentaire is een ontroerende ode aan de veerkracht en de verbeelding, en bleef nazinderen. Die nacht ontkiemde het eerste idee. Wie binnenkort Schaduw en vuur leest, zal dan ook al snel de kunstenares Nora Ehlinger ontmoeten, en begrijpen.

Eerstdaags meer dienstmededelingen. Voor Schaduw en vuur gaan we immers de hort op. Een boekhandeltournee! Later meer daarover. Samen met een nieuwe aflevering van The making of Schaduw en vuur.

Intussen raad ik de documentaire en ook het fotoboek Welcome to Marwencol van harte aan. De foto’s hierboven heb ik daarvandaan.

ja, we gaan er een drama van maken

image

Ik citeer eventjes wat u sedert enkele maanden op de website van het Mechelse theatercollectief Lucky Leo kan lezen:

Mechelen maakt zich op voor Op.Recht.Mechelen, het stadsfestival naar aanleiding van 400 jaar Grote Raad.
LUCKY LEO zal voor deze gelegenheid een nieuw stuk maken in samenwerking met Dimitri Bontenakel en Annelies Verbeke.

Als er recht wordt gesproken, betekent dat nog niet dat de rechtstaal wordt begrepen. De rechterlijke macht beschermt en straft, maar verwart en intimideert ons tegelijk met haar juridische jargon.

Een vrouw wordt opgeroepen om in een jury te zetelen. Ze heeft er zin in, maar al snel rijzen er heel wat vragen.
Gewraakt wil een humoristisch onderzoek naar verschillende soorten taal zijn, een onderzoek waarbij gevoel botst met ratio en logica met absurdisme.
De pennen van Annelies Verbeke en Dimitri Bontenakel trekken je mee in een heerlijk absurdistisch taalbad.

Klinkt goed, niet? Pittig detail: het ding moet nog geschreven worden. Ja, we zijn er al een hele poos mee bezig. Sinds juni woon ik Lucky Leo-repetities bij; ze vinden plaats in een oude kapel in de schaduw van de Sint-Romboutstoren. Net zoals bij een boek schrijf je een eerste versie van zo’n stuk, dan een tweede enzovoorts. Alleen is een roman schrijven een vrij solitaire bezigheid, terwijl er bij een toneelstuk vele ogen over mijn schouder meekijken. Dat is even wennen. Elk lid van het Lucky Leo-collectief heeft namelijk een eigen visie. De schrijver is niet de enige poppenspeler meer.

Twee weken geleden vreesde ik even voor de slaagkansen. Ik had net een nieuwe versie geschreven en die was net zoals zijn voorganger grotendeels naar de papiermand verwezen. De ingeplande repetitie werd ingeruild voor een breinstormsessie. Welke personages willen we zien? Wat willen we vertellen? Het ging moeizaam, maar op het eind van de avond lag er een compromis op tafel. Ik opnieuw aan de slag. Maar ook het compromis bleek niet te werken, en ditmaal was ik het die het samen met regisseur Hilde naar de schroothoop droeg. Wat nu?

Een tweede breinstormsessie dan maar en hopen op een goede afloop? De tijd begint immers te dringen. De verwarming werkte niet, de grijze celletjes gelukkig wel. Plots viel alles in de plooi. Wel, niet alles – we zijn tenslotte niet met proper wasgoed bezig – maar vorige week stapte ik wel op de trein als een tevreden man, een kunstig storyboard, onder de arm. Hulde aan Brien Coppens, ze kan een aardig potje tekenen.

Spoiler alert! Want wie het storyboard op de foto hierboven bestudeert, kent het verhaal dat we willen brengen. Nee, de details verklap ik niet. Wat ik wel kan zeggen, is dat het stuk volgende zaken niet zal bevatten:
– geen F.C. De Kampioenen-moppen (mag niet van Lucky Leo)
– geen kerkstoelpreken (mag niet van Gwendolyn Rutten)
– geen verkrachtingsscènes en ook geen boterstaven
– geen door KBC gefinancierde kernwapens

Intussen moet het stuk nog steeds geschreven worden. Wat zit ik hier in godsnaam op mijn website te doen?

Hier wordt niet gepoetst, gewassen of gestreken

cover-oever-compleet

Abdualla Maksour (°1983, Hama, Syrië) studeerde literatuur aan de universiteit van Damascus en behaalde een mini-MBA aan de universiteit van Caïro. Hij werkte als journalist onder meer voor Al-Jazeera. Hij schreef vijf romans. De meest recente, Via Dolorosa, verscheen in 2014. Sinds dat jaar woont hij als erkend politiek vluchteling in de Kempen.

Slimmerik die u bent, weet u dat een handvol biografische feiten nog geen leven samenvat en dat Abdualla als Syrische vluchteling één en ander heeft meegemaakt. Bij aankomst in de PEN-schrijversflat – Abdualla verbleef er in februari – vertelde hij over zijn leven: de studentenjaren in Damascus, de vlucht naar Europa. Het is niet aan mij om de schokkende ervaringen uit zijn leven breed op deze pagina uit te smeren. Wat ik u wel kan zeggen, is dat hij een mooi verhaal over zijn ballingschap heeft geschreven. Het heet De weg der smarten en u kan het lezen in de bundel waarvan u hierboven de omslag ziet.

Aan de andere oever van het verlangen, zo heet de bundel, en hij verdient een woordje uitleg.

In het voorjaar ontving ik een mail met een verzoek. Samen met uitgeverij P wilde PEN Vlaanderen een boek met tweeluiken uitgeven: naast de tekst van een gevluchte auteur (uit Palestina, Soedan, Irak, Syrië) zou een tekst van een Vlaamse auteur komen te staan, in zijn of haar eigen stijl en met een eigen aanpak. “We hopen dat de Vlaamse auteur in kwestie zich door de tekst aangesproken voelt, of geprikkeld, ontzet, geroerd, noem maar op”. Ik mocht een tekst schrijven die in dialoog ging met Abdualla’s De weg der smarten. Ik zegde meteen toe. Natuurlijk zegde ik meteen toe.

In de verre ochtenden van de ballingschap moet je je wel alles herinneren wat op jou lijkt, want de ballingschap alleen zal nooit op jou lijken, hoezeer je je er ook mee probeert te vereenzelvigen en hoezeer je er volledig mee probeert te versmelten.

 

Zo begint De weg der smarten.

Henri zegt: het geheugen is de optelsom van ons leven. alles wat we gezegd en gezien en gehoord en geproefd hebben. Wel, het mijne is een vergiet geworden,  en de gaatjes worden alsmaar groter.

Een fragment uit Alice in ballingschap

Net als De weg der smarten gaat mijn verhaal over het leven als balling, over vervagende herinneringen, over de liefde, over de dood. Alice in ballingschap is géén tekst over vluchtelingen, wel één over mensen die geen rol meer te spelen hebben in onze samenleving. Ze voelen zich overbodig. Ze voelen zich ongewenst. Lang niet altijd beelden ze zich dat in.

De Alice uit de titel is een dementerende weduwe. Ik ontmoette haar en andere Alice’en in het Sint-Maria-rusthuis in Berchem. Haar verhaal kan u ook lezen in Aan de andere oever van het verlangen. De bundel wordt op donderdag 3 november om half vier voorgesteld op de Boekenbeurs (Rood podium).

Misschien treffen we elkaar daar?

parochie van miserie – over ‘Een klein leven’ van H. Yanagihara

een klein leven De kritieken waren unaniem lovend. Mijn oog viel erop in boekhandel Theoria. En ik had nog een treinrit van dik anderhalf uur voor de boeg. Ik dus met deze dikke tearjerker (zo beloofde de flaptekst tenminste) onder de arm naar het station.

Volgens dezelfde flaptekst gaat Een klein leven over vier studievrienden die samen hun weg in New York zoeken: de charmante acteur Willem, de excentrieke kunstenaar JB, de getalenteerde architect Malcolm en Jude St. Francis. U ziet het al, laatstgenoemde krijgt geen omschrijving mee. Lijdend Voorwerp-Jude dan maar? Want Jude wordt achtervolgd door “demonen uit het verleden”.

SPOILER ALERT! Ligt het boek nog met ongebroken rug op het nachtkastje? Stop dan NU met lezen.

Dat van die vier studievrienden, vergeet dat maar. In de eerste honderd bladzijden komen ze misschien alle vier aan bod, maar nadien verdwijnen Excentrieke Kunstenaar en Getalenteerde Architect zo goed als volledig uit beeld, om terloops op te duiken tijdens Thanksgiving-dineetjes waar ze wel mogen vaststellen hoe erg het gesteld is met Jude maar nooit ofte nimmer mogen vragen wáárom het zo erg gesteld is met Jude.
En ook Charmante Acteur is klokvast ribbedebie. Als Hollywoodheld wordt hij immers op exotische locaties verwacht. Om de zoveel bladzijden keert hij weer, als een benevolente Moby Dick die af en toe door het wateroppervlak breekt, om Jude bij te staan in zijn kwellingen.

Over die kwellingen blijft de lezer lange tijd onwetend. Jude houdt de kaken namelijk bladzijden lang stijf op elkaar. En zijn studiemakkers dringen niet echt aan. Eerlijk gezegd reageren zij nogal lauwtjes op Judes stilzwijgen en zelfverminking. Dikke vrienden? Het zal wel. Dikke vrienden zouden tekst en uitleg eisen als hun beste maat met derdegraads brandwonden op de spoed beland. Trouwens, we komen nooit ook echt te weten waarom de drie überhaupt dikke maatjes willen wezen met een figuur als Jude. Hij doet zijn mond nooit open, blaft bijwijlen iedereen af en als het hem niet aanstaat, sluit hij zich op of zet het op een lopen. Om het met de Youtube-lui van Cinemasins te zeggen: Jude St. Francis is a dick to his friends.

En dat. Zevenhonderd. Bladzijden. Lang.

spotlightUiteindelijk moet Charmante Acteur het met Jude aanleggen om de waarheid los te peuteren. En die waarheid mag er wezen! Als kind werd hij in een klooster geplaatst en – zoals dat met kloosters gaat – misbruikt. Hij vluchtte met Broeder Luke en werd door Broeder Luke misbruikt en tot prostitutie gedwongen. Hij vluchtte weg, liftte zich een weg door het land en werd onderweg door truckchauffeurs misbruikt. Alerte Dokter Traylor nam hem onder zijn hoede, sloot hem in het soutterain op en, o ja, misbruikte hem. En wat denk je wat er gebeurde toen hij opnieuw geplaatst werd?

Beterschap op komst, zou je dan denken. Vergeet het. Lijdend voorwerp-Jude heeft nauwelijks uit de biecht geklapt of hij wordt weer langs alle kanten te grazen genomen. Werkelijk niets blijft de man bespaard! Om het met de lui van Cinemasins te zeggen: Yanagihara is a dick to her protagonist.

En Jude zelf? Die zwijgt en slaapt en zwijgt en vergeet te eten en zwijgt en snijdt zich met scheermesje en zwijgt en verontschuldigt zich voor zijn gedrag en zwijgt opnieuw.

Cut. Cry. Sleep. Repeat.

En dat. Zevenhonderd. Bladzijden. Lang.

Want de Jude St. Francis op bladzijde 1 is dezelfde Jude St Francis van pagina 750. Ouder en zonder benen maar verder krèk dezelfde. Ergens onderweg blijkt hij zich meer aangetrokken te voelen tot mannen dan tot vrouwen, maar dat hebben we van horen zeggen. Hij schijnt een gehaaide advocaat te zijn, maar ook dat hebben we van horen zeggen. Tell, don’t show, luidt het bij Yanagihara.

Het laatste hoofdstuk overtuigt. Yanagihara is immers wel degelijk een begenadigd schrijfster. Maar dan is het kalf allang verdronken. Wat een ontroerend sluitstuk moest zijn, werd bij mij “de-laatste-vijftien-pagina’s-nog-even-doorbijten-Bontenakel”. Doodjammer

Het boek is uit nu. Enkele weken over gedaan. Niet één traan gelaten. (Ook nergens om moeten lachen.) Ocharme de scenarist die het boek in een film zal moeten gieten. Want Yanagihara lonkt met haar parochie van miserie wel erg nadrukkelijk naar Hollywood. Terwijl… als je per se een film over misbruik binnen de kerk wil zien, kijk dan liever naar Spotlight. Mark Ruffalo, Rachel McAdams en die wittekop uit Mad Men doen erin mee.

Ja, Spotlight raad ik wél aan.

Casino Royale – boekhandel Theoria verhuist

Komma-in-de-Lucht-1000x500Zomaar zomers upgraden naar Windows 10 doe je niet ongestraft. Toch niet als je zoals ik geen diginaut op de intersnelweg bent. Gevolg: half augustus lag mijn laptop in de lappenmand en werd de schrijver – die voor zijn mobiele telefonie nog altijd op zijn acht jaar oude Nokia rekent – een poos afgesneden van het www.

Zalig.

Maar… het had wel tot gevolg dat ik jullie niet attent kon maken op het nagelnieuwe hoofdstuk 2 van onze Boeken Toe-podcast. Al geluisterd? Dan weet je dat ik voor de rubriek Handel en wandel naar Kortrijk ben afgereisd om er te praten met Pascal Vandenhende, die samen met Annemie Bernaerts boekhandel Theoria uitbaat. Kortrijk bleek maar een treinreis en een ommetje van tien minuten van mijn deur vandaan te liggen, en boekhandel Theoria (klemtoon op de laatste lettergreep) bleek een boekenmekka waar menig literaire pelgrim spontaan van aan het hallelujah’en slaat.

theoria1Pascal zette een kop koffie voor mijn neus en stak van wal. Over hoe ze vijf jaar geleden de zaak overnamen en het contact met de klanten bovenaan het prioriteitenlijstje zetten, over hoe ze zelf schrijvers uitnodigden voor een lezing en daarbij niet wachtten op de goodwill van de uitgeverijen, over hoe het boekenvak wis en waarachtig toekomst heeft… mits men niet bij de pakken bleef zitten.

En Theoria bleef niet bij de pakken zitten. Toen de eigenaar hun twee panden – de boekhandel en het belendende Komma in de lucht – te koop stelde voor een buitensporig hoog bedrag zochten en vonden ze een betere locatie. Het geklasseerde casino van Kortrijk (1844) biedt de ruimte, de grandeur en de mogelijkheden die Theoria nodig heeft voor haar plannen. Niet alleen worden de boekhandel en Komma in de lucht in het casino ondergebracht, er komt een ‘boekenkeuken’ waarin gezonde voeding centraal staat en koks workshops kunnen geven én Theoria zal samen met een partner een webshop voor partituren uitbouwen. Of hoe een voormalige goktempel wordt omgetoverd tot een boekenhuis pur sang.

theoria3
nieuwe locatie: het casino van Kortrijk

We praatten een klein uurtje. Ik maakte een opname van een vijftiental minuten. De montage voor de podcast klokte af op een kleine vijf minuten. Kiezen is verliezen. Twee zaken zijn daarbij op de vloer van de montagecel beland. Eén, een uitvoerig betoog over de vaste boekenprijs, of tenminste zoals hij door ons teergeliefd kibbelkabinet zal worden georganiseerd, en hoe die op maat is gesneden van de grote ketens. Twee, het idee van de partiturenzaak.

Ik had gehoopt beide items op deze website aan te kunnen bieden in een Handel & wandel – the director’s cut. Mijn klaplong-laptop besliste daar anders over. Ik verloor mijn opnamemateriaal. Zij die meer willen weten over de vaste boekenprijs raad ik daarom aan om de trein naar Kortrijk te nemen en het de uitbaters zelf te gaan vragen. Zo krijg je de kans om de boekhandel in al zijn oude glorie te aanschouwen, vóór ze verhuizen naar hun nieuwe locatie. En als je dat gedaan hebt, keer dan in de loop van 2017 nog een keertje terug, om kennis te maken met Casino Royale-Theoria. Iets wat deze jongen alleszins van plan is.

Tussen haakjes, na de opname kocht ik in de winkel Een klein leven van Hanya Yanagihara. Daar moet ik verdikkeme ook nog een en ander over kwijt. Maar dat is voor volgende week.

Kannibaal Mildred – een Verzincolumn

verzin 3 2016Sinds het begin van de zomer ligt de nieuwe Verzin in de rekken – dossier columns – waarin ik niet alleen een column mag leveren maar ook met Gie Bogaert mag spreken over het schrijfproces achter zijn laatste roman Roosevelt.

Voor de liefhebbers: Kannibaal Mildred, een column uit de vorige jaargang,
te lezen op een terras, alp of strandstoel naar keuze.

 Zijn naam was Malcorps. Hij was conciërge van een flatgebouw, zij het tegen wil en dank. Hij sprak met een kabbelende bariton die aangenaam in de oren lag, als die van een nieuwsanker, of van een kardinaal in een pot glijmiddel. Weinigen die zijn stem echter te horen kregen want hij werd niet graag gestoord. Wanneer de bel ging, opende hij de deur net zo ver als het kettinkje het toeliet. Met een wuft handgebaar stuurde hij de meeste bezoekers wandelen.

Malcorps was een artiest, een internetartiest, en wat voor één: als tableau vivant was hij kunstenaar en kunstwerk tegelijk. In elke kamer van zijn flat hing het alziende cyclopenoog van een webcam. Lijfeigene van zijn betalend publiek had hij zijn leven in een contract gegoten. Zijn internetbroodheren bestuurden elke minuut van zijn bestaan. Ze dicteerden wat hij at, dronk, wanneer hij zich waste, wanneer hij zich ontlastte. De tijd die hij buiten mocht doorbrengen – uit het zicht van de camera’s – werd streng gechronometreerd.

God, wat gaat de tijd snel! Het is alweer twee-en-een-half jaar geleden dat mijn vorige roman in de boekhandel lag. Daarin kreeg Malcorps drie hoofdstukken toegewezen. En als u mijn moeder bent of een andere verloren ziel die De steek van de schorpioen heeft gelezen, dan denkt u vast: Malcorps, nooit van gehoord!? Gelijk hebt u. In de vierde manuscriptversie van het schorpioenboek liep de man nog vrolijk te sikkeneuren, in de vijfde was hij spoorloos verdwenen. De conciërge was me dierbaar maar hij hield de boel op. Ik deed wat gebeuren moest: tussen twee versies in verloste ik hem uit zijn lijden. R.I.P. Malcorps.

Tijdens de jaarlijkse trek naar hun paargebied eten de rode krabben van Christmas Island hun platgereden neven en nichten vers van het asfalt – broodnodig kannibalisme om tot bij de Indische Oceaan te geraken. In 1972 overleefde een rugbyploeg een vliegtuigcrash in de Andes op het vlees van dode medepassagiers.

Sinds de dood van Malcorps werden vele andere personages tot leven gewekt. Hostiegewijs namen sommigen onder hen een stukje van de conciërge tot zich – een karaktertrek, een hebbelijkheid, een tic, een flard dialoog. Ze zullen het nooit toegeven maar de dames en heren uit de allerlaatste versie van elke roman hebben hun lot te danken aan de stoffelijke resten van hun minder fortuinlijke soortgenoten. Meursault, Toru Watanabe, Miranda Van Hooylandt, Jean-Baptiste Grenouille, Mildred Pierce – het zijn stuk voor stuk kannibalen.